Deze columns verschenen eerder in de Volkskrant. De namen in de columns zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.

  • Je kunt zeggen dat het niet zo erg is dat ik meneer Blokker niet leuk vind. Maar zo eenvoudig ligt het niet

    Meneer Blokker (88) krijgt bezoek van zijn vrouw en de hele afdeling staat op de uitkijk. Ramptoerisme, anders kan ik het niet noemen.

    ‘Het is haar eigen schuld, toch?’, vraagt de stagiair (18). ‘Ze heeft er zelf voor gekozen met meneer Blokker te trouwen.’

    ‘In onze tijd ging dat heel anders, kind’, zegt mevrouw Van Wijngaarden (87). ‘Zat er niets van je gading bij, dan moest je genoegen nemen met minder. Er moest nu eenmaal worden getrouwd.’

    ‘Wat een fucking nachtmerrie’, zegt de stagiair.

    ‘Daar is ze!’, roept mevrouw Peereboom (92).

    De auto van de zoon van meneer en mevrouw Blokker rijdt de parkeerplaats op. De zoon stapt uit en opent de achterklep om zijn moeders rollator uit te laden. Daarna helpt hij haar uit de auto. Vol ontzag kijken we hoe mevrouw Blokker met haar rollator naar de ingang stiefelt. Haar zoon loopt erachteraan met een grote doos van de bakker in zijn armen. Ze hebben iets te vieren: meneer en mevrouw Blokker zijn vandaag zestig jaar getrouwd. Een diamanten huwelijk.

    ‘Ach’, zegt mevrouw Van Wijngaarden zachtjes. Ze schudt meewarig het hoofd.

    Later op de dag kom ik het echtpaar tegen op de gang, gevolgd door een stoet kinderen en kleinkinderen. Ze hebben het jubileum gevierd met een brunch in een restaurant.

    ‘Wat ziet u er netjes uit, meneer Blokker’, zeg ik.

    ‘Huh!’, roept hij.

    ‘Hij zegt dat u er netjes uitziet!’, roept zijn zoon in zijn oor.

    ‘Waarom zou ik er niet netjes uitzien op mijn trouwdag?’ Ten overstaan van het hele gezelschap vertelt hij dat hij niets aan de brunch vond. ‘Ze hadden geen gewoon brood’, zegt hij, ‘en het duurde heel lang.’

    Mevrouw Blokker slaat haar ogen neer en ik klem mijn kaken op elkaar.

    Mijn collega Pieter loopt langs. Meneer Blokkers gezicht licht op. ‘Pieter! Goddank, jongen. Breng me naar mijn kamer.’

    Pieter gaat naast hem staan en steekt zijn gebogen arm uit. Meneer Blokker haakt zijn arm door die van hem en samen schuifelen ze ervandoor.

    Pieter is de enige die meneer Blokker kan verdragen. Hij heeft zelfs een band met hem opgebouwd. Hoe doet hij dat? Wat heeft Pieter dat ik niet heb?

    Je zou kunnen zeggen dat het niet zo erg is dat ik meneer Blokker niet leuk vind. Ik ben ook maar een mens. Je kunt nu eenmaal niet iedereen leuk vinden. Maar zo eenvoudig ligt het niet.

    Oude mensen kun je in twee categorieën verdelen: mensen die zichzelf kunnen vermaken en mensen die dat niet kunnen. Mevrouw Steur (88) is bijvoorbeeld iemand die zich prima vermaakt. Op haar tafel liggen een iPad, iPhone, een stapel boeken en de krant. Gisteren heeft ze Spotify ontdekt. ‘Alles staat erop’, zei ze. ‘Alle muziek van mijn leven.’

    Veel andere bewoners doen helemaal niets, die zitten voor het raam te wachten tot er iemand op bezoek komt. Meneer Blokker kan zich ook niet vermaken. Hij brengt het grootste deel van de dag wachtend door.

    Bij goede zorg hoort het faciliteren van een zinvolle dagbesteding. In de praktijk hebben we daar geen tijd voor. Basiszorg gaat natuurlijk voor: helpen bij het wassen, aankleden, eten en naar de wc gaan.

    Elke dienst is een race tegen de klok. Als ik geluk heb, houd ik een half uur over om met bewoners naar buiten te gaan, een spelletje te doen of koffie te drinken. Dat half uurtje heb ik nog nooit aan meneer Blokker besteed.

    Op de taart die mevrouw Blokker heeft meegenomen, staat een foto van het echtpaar. In de pauze snijdt mijn collega meneer en mevrouw Blokker in stukken. Ik krijg meneer Blokkers neus.

    ‘Hij is net mijn vader’, zegt Pieter. Op zijn bordje ligt een stuk met meneer Blokkers kale schedel erop. ‘Ik heb weleens tegen mijn vader gezegd dat hij niet zo moest snauwen tegen mijn moeder. Hij zei: ik ben nu eenmaal een mopperkont.’ Zuchtend prikt hij met zijn vork in de taart. ‘Eigenlijk zit ik hier gewoon weer met mijn vader opgescheept.’

  • Ook ik zou de hele dag bang zijn dat ze me vergeten

    Mijn portofoon begint te piepen; iemand heeft op de alarmbel gedrukt. Eigenlijk wil ik er meteen naartoe, maar ik breng mevrouw Petterson (96) net naar bed. Ik weet niet zeker of ik haar nu alleen kan laten. Als het te lang duurt voordat ik terugkom, krijgt ze een paniekaanval. Dat is best logisch als je bedenkt dat ze zichzelf niet kan voortbewegen: ze kan niet staan en heeft te weinig kracht om haar rolstoel in beweging te krijgen. Ik zou ook de hele dag bang zijn dat ze me vergeten.

    Ik probeer het toch. Al een jaar lang verzorg ik mevrouw Petterson en ik ben altijd op tijd. Urenlang heb ik haar in de rolstoel door de tuin geduwd. Misschien heb ik daar nu profijt van.

    ‘Iemand heeft op de alarmbel gedrukt. Vindt u het goed als ik ga kijken? Als ik klaar ben, kom ik meteen terug.’

    ‘Ja’, zegt ze. ‘Goed.’

    Ik haast me naar mevrouw Scholte (84). Mevrouw Scholte is stervende aan darmkanker en heeft op de alarmbel gedrukt omdat ze naar de wc moet. Onderweg begint mijn portofoon opnieuw te piepen. Het is meneer Blokker (88).

    ‘Ik moet een zakdoek hebben’, zegt hij.

    ‘Over een kwartier ben ik bij u’, antwoord ik. Ik weet ook wel dat hij daar niets aan heeft – hij zit nú met een snotneus – maar ik heb urgentere dingen te doen.

    ‘Huh!’, roept hij. Dat betekent: wat zeg je?

    ‘Over een kwartier!’, roep ik door de portofoon.

    Ik zet mevrouw Scholte op de ondersteek. In de badkamer wacht ik tot ze klaar is. Als ik haar even later weer toedek, pakt ze mijn pols vast. ‘Het spijt me dat je steeds bij me moet komen, maar ik wil het niet in mijn broek doen. Ik vind het zo akelig om in de viezigheid te liggen.’

    ‘Dat geeft echt niets. Ik heb er ook een gruwelijke hekel aan als u in de viezigheid moet liggen, dus ik wil graag dat u op de bel drukt als u hulp nodig heeft. Oké?’

    ‘Oké.’

    Terug naar mevrouw Petterson, die gelukkig nog rustig op mij zit te wachten. Kunstgebit poetsen, pyjama aan, kruik in bed, lampen uit en door naar meneer Blokker. Ik red het nét binnen een kwartier.

    Te laat. Meneer Blokker zit op de grond. In een poging een zakdoek te pakken, is hij gevallen en met zijn hoofd tegen de tv geknald. Er is een zwart blok in beeld op de plek waar hij het scherm heeft geraakt en over zijn kale schedel loopt een streepje bloed.

    Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. Ik had kunnen weten dat hij niet op mij zou wachten, daar heeft hij het geduld niet voor. Dit is zijn zesde valpartij deze week. Zijn snotneus verdiende een hogere prioriteit.

    Ik ben zo scherp niet meer; ik ben moe. Mijn collega’s zijn ook moe. Net als bijna alle andere zorginstellingen hebben we een personeelstekort. Volgend jaar opent een nieuwe vleugel en daar hebben we ruim twintig nieuwe collega’s voor nodig: verzorgenden en verpleegkundigen. Waar halen we die in godsnaam vandaan? We kunnen ze nu ook niet vinden.

    Ik hijs meneer Blokker omhoog en zet hem in de stoel. Eigenlijk mag dat niet: om mijn rug te sparen hoor ik hem met een liftje van de grond te takelen, maar daar heb ik nu écht geen tijd voor. Ik meet zijn bloeddruk en bel de arts. Dat moet altijd als iemand op zijn hoofd is gevallen.

    Een halfuur later kan ik verder. Ik ben de gang nog niet uit of meneer Blokker drukt weer op de alarmbel.

    ‘De televisie’, zegt hij. ‘Het beeld is niet goed.’

    ‘Ja, daar bent u zonet met uw hoofd tegenaan gevallen.’

    ‘Huh!’, roept hij.

    De volgende dag staat er tot mijn stomme verbazing een monteur van Ziggo bij meneer Blokker in de kamer. De monteur staat gebukt naar de tv te kijken. ‘Dit heeft niets met uw verbinding te maken’, zegt hij. ‘Het beeldscherm is beschadigd, denk ik.’

    Hij draait zich om en kijkt vragend naar meneer Blokker, die in de leunstoel zit met een dikke pleister op zijn hoofd.

  • Misschien is de sociale vaardigheid bij sommige mensen niet goed ontwikkeld en kunnen ze niet anders

    ‘Aansteller’, zegt mevrouw Timmer (98). Ze staat met haar rollator in de deuropening van haar kamer te kijken hoe ik me in een plastic pak hijs, voordat ik de kamer van de overbuurvrouw binnenga. De overbuurvrouw heeft corona. We zitten middenin een uitbraak en dat kan mevrouw Timmer niet zijn ontgaan. Al vijf dagen achtereen parkeert de begrafenisondernemer zijn wagen onder haar raam. Gisteren zelfs twee keer.

    ‘Ik lach je vierkant uit’, zegt ze. Ze gooit haar hoofd achterover en roept: ‘Ha-ha-ha.’

    Mevrouw Timmer is een draak. Als ze op de alarmbel heeft gedrukt, moet ik in een oogwenk bij haar zijn, anders houdt ze de bel ingedrukt en slaat het hele alarmsysteem op hol.

    En als haar iets niet zint, schuift ze met glinsterende oogjes haar beker chocolademelk naar de rand van de tafel. Gelukkig beweegt ze in slowmotion: ik ben er altijd op tijd bij.

    Ik trek de deur van de overbuurvrouw achter me dicht. Mevrouw Steur (87) moet worden verschoond en ik heb een boek voor haar meegenomen. In haar werkende leven was ze bibliothecaris. Ik heb eens gevraagd of ze met mij in een boekenclub wilde en dat wilde ze niet. Geen tijd. ‘Iedereen denkt dat je achterover kunt leunen als je in een verzorgingshuis zit. Vergeet het maar.’

    Nu leen ik haar af en toe boeken, die we tijdens het wassen en aankleden bespreken.

    Zo is ze toch met mij in een boekenclub beland. Vanmorgen stond ik lang voor mijn boekenkast te twijfelen, want dit kon wel eens het laatste boek zijn dat ze leest. Ik koos Een vrouw in de poolnacht van Christiane Ritter, het betoverende verslag van de eerste Europese vrouw die overwinterde op de Noordpool.

    ‘Hoe noem je dat eigenlijk?’, vraagt mevrouw Steur met een dun stemmetje, en ze wijst naar het incontinentiemateriaal. Dat heeft ze nodig nu ze te zwak is om uit bed te komen. ‘Is dat een luier?’

    ‘Nee.’

    ‘Wat is het dan?’

    ‘Het is een broekje dat je dichtplakt.’

    ‘Ik vind het zo erg dat ik luiers moet dragen.’

    ‘Het ís geen luier.’

    ‘Ik vind het zo erg.’

    ‘Het jaar is bijna om’, zeg ik, om maar ergens anders over te beginnen.

    ‘O, ja. Weet je waar ik me dit jaar vreselijk aan heb zitten ergeren?’ vraagt ze.

    ‘Nou?’

    ‘Al die mensen die menen dat andere mensen zich aanstellen.’

    Ik denk natuurlijk aan mevrouw Timmer, maar die bedoelt ze niet. Wat mevrouw Steur bedoelt valt het best te illustreren aan het voorbeeld van Akwasi, die in september in een interview vertelde dat zijn juf hem vroeger aquarium noemde. #Akwasi en #aquarium raakten vervolgens trending op Twitter, omdat heel veel mensen kwamen vertellen dat zij door hun juf ook weleens voor druiloor waren uitgemaakt. ‘Moet ik nu ook gaan huilen?’ vroegen die mensen zich af.

    ‘Het is eigenlijk heel ironisch’, zegt mevrouw Steur. Ze richt zich op in haar bed. ‘Heel veel mensen vonden dat hij zich aanstelde en dat bewees juist dat hij gelijk had: zwarte mensen zijn een gemarginaliseerde groep. Misschien wel de meest gemarginaliseerde groep in de samenleving. Homo’s worden bijvoorbeeld ook niet altijd serieus genomen als ze zeggen dat ze worden gediscrimineerd, maar wel vaker dan zwarte mensen. De mate waarin je serieus wordt genomen, zegt iets over je positie. Maar ik ben de enige die dit snapt, geloof ik. Straks ga ik dood aan corona en dan is er niemand meer die dit snapt.’

    Nu mevrouw Steur zo lekker op dreef is, begin ik juist te denken dat Een vrouw in de poolnacht niet haar laatste boek zal zijn.

    ‘Misschien kunnen die mensen niet anders’, zeg ik. ‘Misschien bestaat er zoiets als sociologisch inzicht. Een vaardigheid die bij ieder mens in aanleg aanwezig is, net als ruimtelijk inzicht, maar bij sommige mensen niet goed is ontwikkeld.’

    Die theorie gaat er bij mevrouw Steur niet in. ‘Het is gewoon zelfbedrog’, zegt ze. ‘Die mensen zijn bang voor verandering en dat ze er zelf op achteruitgaan.’ Ze legt Een vrouw in de poolnacht op haar nachtkastje. ‘Die ga ik lezen als ik beter ben.’

  • De ‘dor hout’-kwestie viel rauw op mijn dak, maar inmiddels voert iets nóg irritanters de boventoon: complottheorieën

    ‘Herejee’, zei mevrouw Kuik (93) toen ik uitgedost haar kamer binnenkwam. Schort, mondkapje, spatbril en handschoenen. ‘Wat heb jij nou allemaal aan?’

    ‘Ja, sorry’, zei ik. ‘U heeft het virus, weet u nog?’

    ‘Virus? O… O, ja.’ Ze lag in bed en sprak met een zachte, dunne stem. ‘Ik voel me inderdaad helemaal niet lekker. Doodziek, eigenlijk. Weten mijn ouders wel dat ik zo ziek ben?’ Ze rilde en trok de deken tot haar kin omhoog. ‘Wil jij mijn ouders vanmiddag ophalen?’

    ‘Waar wonen uw ouders?’

    ‘In Kockengen. Weet je waar dat ligt?’

    ‘Nee’, zei ik, al had ze me dat al heel vaak verteld. Het ligt bij Breukelen.

    ‘Het ligt bij Breukelen. Ze wonen op een boerderij.’

    Uit de bovenste lade van haar Biedermeier pakte ik een fotoboekje. Ik hield haar de eerste bladzijde voor. ‘Deze boerderij?’

    ‘Ja!’ Op de tweede bladzijde staat een foto van het gezin waarin ze is opgegroeid. Ze wees zichzelf aan. ‘Dit ben ik.’

    We bladerden langs foto’s van haar schooltijd, huwelijk, de boerderij waar ze met haar man ging wonen, haar kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Er staat ook een huis in dat ze zich niet kan herinneren, al heeft ze daar ruim twintig jaar gewoond. Het adres wel, maar de foto van de gevel zegt haar niets. De seniorenflat die ze daarna bewoonde, herkent ze wel. Het boekje behandelt mevrouw Kuiks leven op chronologische volgorde, dat is heel handig als ze een tijdreis naar het heden nodig heeft.

    Ze sloeg het boekje dicht. ‘En nu woon ik hier. Vroeg of laat moet ik naar een verpleeghuis, daar kijk ik vreselijk tegenop. Ik weet niet of ik het aankan om nog een keer te verhuizen.’

    ‘Nou, dan heb ik goed nieuws voor u. Dit ís een verpleeghuis.’

    ‘O, werkelijk?’ Ze schoot in de lach en sloeg haar hand voor haar mond. ‘Dat had ik helemaal niet in de gaten.’

    U begrijpt dat die ‘dor hout’-kwestie rauw op mijn dak viel. Het idee dat ouderen nou eenmaal ergens aan moeten doodgaan, was een trend in het debat over coronamaatregelen. Maar inmiddels voert iets nóg irritanters de boventoon: complottheorieën. Zelfs collega’s op mijn werk – en dan heb ik het dus over zorgprofessionals – noemen het verdacht dat het RIVM praat over vaccins en mondkapjes en niet over vitamines, wandelen en zonlicht. Doutzen Kroes bemoeide zich er ook mee en dat was voor mij persoonlijk het dieptepunt, omdat ze daarmee ook nog eens onze Friese reputatie bezoedelde.

    De coronacomplottheorieën over 5G en Bill Gates doen me denken aan de documentaire Behind the curve op Netflix, over de groeiende, wereldwijde groep mensen die gelooft dat de aarde plat is. De documentaire maakt inzichtelijk welke psychologische en sociale verschijnselen ervoor zorgen dat je de meest krankzinnige theorieën kunt gaan geloven, of je het nu hebt over anti-vaxxers, rechts-populistische complottheorieën, de Flat Earth Society of viruswaanzin. Behind the curve laat ook zien waarom de wetenschap niet tegen complotdenkers op kan.

    In de documentaire vertelt ‘flat earther’ Bob dat ze een ringlasergyrokompas hebben aangeschaft, dat is een instrument waarmee je kunt aantonen dat de aarde draait; het registreert rotatie. De flat earthers kochten het om te bewijzen dat de aarde juist níet draait.

    ‘Maar toen we het kompas aanzetten, registreerden we een beweging van 15 graden per uur.’

    Ja, de aarde draait 360 graden in 24 uur, dus 15 graden per uur.

    ‘Dat accepteerden we natuurlijk niet’, zegt Bob.

    De flat earthers slepen het kompas vervolgens van hot naar her in een poging een plek te vinden waar het niet draait. Dat is nog niet gelukt. Overal op aarde draait de aarde.

  • Nederland is een rijk land, maar verpleeghuizen staan afgezonderd op een armoedig eiland

    ‘Hier zou ik mijn ouders niet naartoe brengen’, zegt de manager over zijn eigen verpleeghuis. ‘Zelfs mijn schoonouders niet.’

    ‘Mooie boel’, zeg ik. Dit is een sollicitatiegesprek, maar het verpleeghuis heeft een groot personeelstekort. Ik kan me wel een paar sociaal onwenselijke antwoorden permitteren.

    Het gebouw is verouderd, vertelt hij. Dat is een probleem waar veel verpleeghuizen mee kampen. ‘Sommige afdelingen hebben zelfs nog een gedeelde badkamer. Moet je op je 85ste elke ochtend met je toilettas onder de arm in de rij staan.’

    ‘Nou, doe er wat aan’, zeg ik.

    De manager schudt zijn hoofd en wrijft met zijn duim langs zijn wijsvinger. Geld.

    Ik word aangenomen. Op mijn eerste werkdag sta ik een bed op te maken en komt meneer Van der Willigen (86) eraan geschuifeld. Hij bekijkt me van top tot teen. ‘Over je deskundigheid valt nog geen zinnig woord te zeggen, maar je hebt in elk geval je opgewekte uitstraling mee’, zegt hij.

    Meneer Van der Willigen heeft vergevorderde dementie. In zijn werkzame leven was hij directeur van een verpleeghuis en hij denkt dat dit zijn verpleeghuis is. Tijdens de lunch tikt hij tegen zijn glas karnemelk en steekt een onverstaanbare speech af. Hij heeft een heel zacht, hoog stemmetje.

    ‘Wat zegt-ie? Versta jij het?’, vragen de andere bewoners elkaar.

    Verpleeghuizen zijn kennelijk altijd al armoedig geweest, want meneer Van der Willigen heeft het continu over geld, net als mijn echte manager. Als ik hem uit bed haal, informeert hij eerst naar de boekhouding.

    ‘Daar heb ik toevallig net over vergaderd’, zeg ik dan. ‘De cijfers zijn uitstekend.’

    Soms gelooft hij me niet. ‘Jij loopt met geld te smijten alsof het niets is’, roept hij. Ik krijg hem daarna niet meer onder de douche.

    Werken in een verpleeghuis is een van de twee minst efficiënte manieren om geld te verdienen op aard. Het andere minst efficiënte beroep is dat van de schrijver, maar omdat ik beide beroepen tegelijk uitoefen, heb ik toch een prima inkomen. Mijn collega’s die niet in de gelegenheid zijn om er een tweede beroep op na te houden, werken vaker avond- en nachtdiensten: zij hebben de onregelmatigheidstoeslag nodig om rond te komen. Ondanks de lage lonen houdt het verpleeghuis geen geld over.

    ‘En daar begrijp ik dus niets van’, zeg ik tegen mijn uitgever. Ik fiets naast haar over de dijk langs het IJ. Ze heeft de sokken er goed in; we racen langs steigers, vissers en boten die op en neer deinen in het glinsterende water. ‘Nederland is een rijk land’, ga ik verder. ‘Ja, toch? Maar verpleeghuizen staan afgezonderd op een armoedig eiland. Verpleeghuizen lijken geen onderdeel van onze groeiende, gezonde economie.’

    ‘Gezonde economie? Gezónde economie?’ snuift mijn uitgever. ‘De Nederlandse economie is zo ingericht dat aandeelhouders, de staat en de pensioensector rijk worden, en er een groot handelsoverschot wordt gegenereerd.’ Van opwinding begint ze nog harder te fietsen. ‘Dat gaat ten koste van onder meer de publieke sector en daarom moeten jouw hoogbejaarde bewoners een badkamer delen.’ Zij weet dit allemaal omdat ze er een boek over publiceert, geschreven door econoom Dirk Bezemer. ‘Er is genoeg geld’, zegt ze, ‘maar het zit opgehoopt op de verkeerde plekken.’

    ‘O’, hijg ik. ‘Oké.’

    De volgende ochtend komt meneer Van der Willigen in zijn pyjama uit de badkamer. Hij ruikt naar ontlasting. Ik ga naast hem staan en steek mijn gebogen arm uit. ‘Zal ik u helpen met wassen en aankleden?’

    Hij haakt zijn arm door die van mij, we lopen terug naar de badkamer en ik doe de deur open. De vloer zit onder de ontlasting.

    ‘Jeetje’, zeg ik.

    Door zijn alzheimer heeft meneer Van der Willigen geen kortetermijngeheugen, dus hij is net zo verbaasd als ik. ‘Wat is híér gebeurd?’, vraagt hij.

    Mijn collega steekt haar hoofd om de hoek. ‘Gisteren was meneer Sánchez jarig en zijn vrouw heeft tapas uitgedeeld. De hele afdeling heeft diarree.’

    Eerst schrob ik de badkamer en daarna zet ik meneer Van der Willigen onder de douche.

    ‘Dit duurt veel te lang’, zegt hij.

    ‘U staat er nog maar drie minuten onder.’

    ‘Weet je wat dit allemaal kóst?’

    Zijn haren heb ik net ingezeept, maar hij draait de kraan dicht. ‘Opschieten.’