Deze columns verschenen eerder in de Volkskrant. De namen in de columns zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.

  • Patrick wil graag een relatie, daarom spreekt hij iedere vrouw aan die we tegenkomen

    Aan de rand van het ggz-terrein staat het sanatorium, dat in 1932 werd geopend voor de opname van ruim honderd zenuwlijders. Voor een gesticht ziet het gebouw er best gezellig uit. Mooi metselwerk, glas-in-loodramen, erkers, aan de voorkant een balkon en aan de achterkant een serre. Er zit een overdreven groot dak op en dat doet het ’m: het geeft een gevoel van geborgenheid.

    Het sanatorium heeft zijn vriendelijke uiterlijk niet alleen te danken aan de bouwstijl van de jaren dertig, maar ook aan de trends van toen in de geestelijke gezondheidszorg. De patiënten werden hier opgenomen met het idee dat ze rust, licht, buitenlucht en beweging nodig hadden, om daarna met hernieuwde krachten terug naar huis te gaan. Aan de achterkant van het gebouw kijken de ramen uit op een Japanse sierkers, die nu in bloei staat.

    ‘Moet je kijken’, zeg ik tegen Patrick (47), en ik wijs naar de boom.

    Patrick kijkt een heel andere kant uit: zijn blik is gericht op een groepje mensen in sportkleding dat in de verte onze kant op komt. ‘Er is een vrouw bij’, zegt hij.

    Patrick wil graag een relatie, daarom spreekt hij iedere vrouw aan die we tegenkomen. ‘Als ik een praatje maak, zou het iets kunnen worden.’ Op slechtere dagen zegt hij: ‘Die vrouw loopt daar speciaal voor mij’.

    Seks

    Het gaat hem niet om seks, want hij heeft het al eens gedaan. Twintig jaar geleden trok een seksueel ontremde medepatiënt hem mee naar haar bed en dat vond hij best interessant. ‘Ik dacht, nu zal hij er wel ingaan. Hij ging er inderdaad in.’ Het was Patricks eerste en laatste keer. ‘Ik heb het gedaan, dus ik weet hoe het is. Het heeft niet zo veel zin om het nog een keer te doen.’ Hij wil een relatie om aan de sleur van de kliniek te ontsnappen. ‘Elke dag is hier hetzelfde.’

    Hij is te ongeduldig om te wachten tot het gezelschap op gespreksafstand is en begint alvast te roepen. ‘Hallo, mevrouw! Goedemorgen! Goedemorgen, mevrouw!’

    Het sportclubje nadert ons aarzelend en bekijkt Patrick met een bezorgde blik. Patrick draagt een zwarte capuchon en een zonnebril – die had hij vanmorgen ook al op, toen ik hem uit bed trommelde voor zijn medicatie – en de onderste helft van zijn gezicht zit verborgen achter een dikke blonde baard. Ik weet eigenlijk ook niet hoe Patrick eruitziet.

    ‘Ik rijd geen auto’, zegt hij tegen de vrouw. ‘Jij wel?’

    ‘Ja’, zegt ze.

    ‘Rijdt je vriend ook auto?’

    ‘Ja, mijn vriend rijdt ook auto.’

    Patrick stelt nog een paar vragen – hij wil weten wat haar favoriete vakantieland is en of ze graag muziek luistert uit de jaren negentig – en dan breit ze er een eind aan. ‘Wij gaan verder, hoor’, zegt ze, en ze glimlacht naar Patrick. ‘We moeten nog hardlopen.’

    We wandelen verder. ‘Aardige vrouw’, zegt hij. ‘Jammer dat ze al een vriend heeft.’

    Vrouwen

    Vrouwen reageren goed op Patrick. Ze weten hem op afstand te houden zonder dat hij zich afgewezen voelt of het idee krijgt dat ze hem raar vinden. Dat komt doordat vrouwen daarin zijn getraind. Als vrouw moet je dat kunnen, omdat je anders de hele tijd in de problemen komt. Dat weet iedereen die eruitziet als een vrouw of er ooit heeft uitgezien als een vrouw.

    Lily Allen zingt in Knock ’Em Out over een vrouw, of eigenlijk over alle vrouwen, die in de kroeg wordt aangesproken door een man en wanhopig probeert te bedenken hoe ze in godsnaam weer van hem afkomt. Aan het eind van het nummer begint ze lukraak smoesjes te roepen: ‘I’ve got to go, my house is on fire. I’ve got herpes. No, syphilis. Aids, aids. I’ve got aids.’

    ‘Maar kijk nou eens naar die boom’, zeg ik tegen Patrick.

    ‘O, ja. Ja, mooi.’

    De Japanse sierkers hoorde bij de missie van het sanatorium. Negentig jaar geleden hadden ze hem geplant met de gedachte: fleurig uitzicht voor de zenuwlijders. Inmiddels bestaan zenuwlijders als patiëntencategorie niet meer en staat het sanatorium al jaren leeg, maar de boom is mooier dan ooit: hoog, breed en bomvol dikke trossen lichtroze bloesem.

  • Maar dan zegt meneer ­Besselink (72): ‘Ik vind het wel lekker wat je nu doet’

    ‘Zeg maar gewoon Harry’, zegt meneer Besselink (72). Ik val een paar weken in bij de thuiszorg en ga meneer Besselink helpen onder de douche. Hij heeft een verkeersongeluk gehad en is herstellende van een reeks gecompliceerde operaties aan zijn rug, heup en been. Zijn been zit bijna helemaal in het gips. Met een looprek krukt hij door het huis.

    De afgelopen weken heeft hij zich in de keuken moeten wassen, maar nu mag hij van de fysiotherapeut eindelijk de trap weer op. Trede voor trede hijst hij zich omhoog. Boven verpak ik zijn gips in plastic.

    ‘O, heerlijk’, zegt hij, als hij onder de douche staat. ‘Ik heb zó lang niet gedoucht.’ Hij kan zijn evenwicht moeilijk bewaren. Terwijl ik hem inzeep, houdt hij zich met beide handen vast aan een beugel aan de wand.

    Dan krijgt meneer Besselink een erectie. ‘God, wat erg’, zegt hij.

    ‘Geeft niets, hoor.’

    Een paar dagen later staat meneer Besselink opnieuw op mijn thuiszorgroute.

    ‘Ik vind het zo erg dat ik een erectie kreeg’, zegt hij. ‘Jij zal wel denken: wat een oude viezerik. Ik moet er telkens aan denken en dan schaam ik me dood.’

    ‘Dat is nergens voor nodig. Het overkomt iedereen weleens.’

    ‘Echt? Iedereen?’

    ‘Wanneer je geen erectie wilt, krijg je er juist een. Ach, wees blij dat-ie het nog doet.’

    Hij schiet in de lach en daarna hebben we het er niet meer over.

    Meneer Besselink is vriendelijk. Hij klaagt nooit dat ik te vroeg of te laat ben en bedankt me elke keer uitvoerig voor de hulp. Ik denk dat hij eenzaam is. Hij doet wat veel eenzame mensen doen als ze eindelijk eens gezelschap hebben: hij praat aan één stuk door.

    Hij vertelt dat hij twee zonen heeft verloren, de een aan een hartafwijking en de ander aan kanker. Zijn vrouw raakte aan de drank. Gescheiden. Maar dan op een dag, als ik zijn penis sta te wassen, zegt hij: ‘Ik vind het wel lekker wat je nu doet.’

    Ik ben geschrokken, maar zeg er niets van. Als ik even later op mijn brommer naar het volgende adres rijd, vraag ik me verbijsterd af waarom ik dit niet zag aankomen. Ik moet denken aan iets wat meneer Besselink een paar dagen eerder onder de douche zei: ‘Ik zou het niet erg vinden als iemand iets bij mij zou doen wat niet mag.’

    ‘Wat bedoelt u?’, vroeg ik.

    ‘Ik bedoel dat ik daar niets van zou zeggen. Echt niet. Ik kan best een geheimpje bewaren.’

    ‘Wat bedoelt u met: iets wat niet mag?’

    ‘Nou, gewoon’, zei hij, en hij keek me schaapachtig aan.

    Ik begreep er niets van. Ik dacht dat hij bedoelde dat ik iets verkeerd deed en dat hij probeerde duidelijk te maken dat hij dat niet zou doorvertellen. Maar wát deed ik dan verkeerd?

    Nu kan ik me wel voor mijn kop slaan voor zo veel onnozelheid. Seksuele toespelingen zijn vaak dubbelzinnig en onbewust kies ik altijd eerst voor de niet-seksuele interpretatie, ook als die veel minder voor de hand ligt. Ik weet niet hoe dat komt. Zelfs op Grindr ben ik traag: iemand stuurde me een donker filmpje waarop hij zich aan het aftrekken was – alleen zijn penis met zijn hand eromheen waren in beeld – en ik dacht heel even dat ik keek naar een kale man die een fitnessoefening deed.

    Ik begin te twijfelen aan mijn eigen aandeel in de situatie. Misschien ben ik te ver gegaan toen ik meneer Besselink na die erectie probeerde gerust te stellen. Die ‘wees blij dat-ie het nog doet’-grap was onprofessioneel van mij. Misschien heb ik daarmee een sfeer gecreëerd die zó vertrouwd voelt, dat hij de indruk heeft dat hij alles tegen mij mag zeggen.

    De volgende dag moet ik meneer Besselink weer helpen onder de douche. Ik pak een plastic stoel uit de tuin, sjouw hem de trap op en zet hem in de douchecabine.

    ‘Wat is dit?’, vraagt hij.

    ‘U gaat zittend douchen, dan kunt u zichzelf wassen. Dat is goed voor de bevordering van uw zelfredzaamheid.’