Deze columns verschenen eerder in de Volkskrant. De namen in de columns zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.

  • Emma zwaait haar ouders uit, draait zich naar mij en zegt: ‘Ik heb net te horen gekregen dat ik geen vader en moeder meer heb’

    Emma (41) veert op in bed, slaat de dekens van zich af en kijkt me kwaad aan. ‘Jij zegt dat ik een hoer ben.’

    ‘Nee, ik vroeg of je uit bed wilt komen. Je ouders komen je straks ophalen. Ik maak je ontbijt, ja?’

    ‘Ik heb geen ouders.’

    Na een stevige onderhandeling komt ze uit bed. Op mijn aanwijzingen stapt ze onder de douche, kleedt zich aan en maakt haar bed op, daarna loods ik haar door de gang naar de ontbijtzaal. Tegen iedereen die we tegenkomen zegt ze: ‘Hij heeft me uit bed gedwongen met een pistool tegen mijn kop.’

    Emma staat bekend om haar ochtendhumeur en haar gewoonte om aandacht te vragen door te provoceren. Ze weet alleen niet zo goed hoe dat moet. Laatst kwam ze vertellen dat ze een erectie had. ‘Hier’, zei ze, en ze wees naar haar knie.

    Even later sluit ik mezelf per ongeluk buiten van de zusterpost; door het raam zie ik mijn sleutelbos op tafel liggen. In plaats van mijn collega te vragen de deur open te doen, ga ik op zoek naar een reservesleutel. Maar als je probeert een blunder te verhullen, bega je minstens drie nieuwe, dat is een natuurwet. Ik laat de medicijnkast openstaan, stoot mijn koffie om en laat mijn portofoon in drie stukken op de grond kletteren. Mijn collega kijkt me aan en fronst haar wenkbrauwen.

    Als ik eenmaal weer op de zusterpost zit, staar ik mistroostig voor me uit. Ik tel mijn blunders bij elkaar op en concludeer: dit werk is te moeilijk voor mij.

    Emma is niet de enige die met het verkeerde been uit bed is gestapt. Ik ben nog niet bijgekomen van mijn nachtdiensten en zou eigenlijk wat slaap moeten inhalen, misschien wel een uur of zes, want bij de minste of geringste tegenslag voelt het alsof mijn elastiekje knapt.

    Op een stoel in de gang zit Emma al een tijdje naar me te kijken. Ze staat op en komt in de deuropening staan. ‘Ik wil wat vragen.’

    ‘Ja?’

    ‘Ik denk steeds dat jij God bent. Is dat zo?’

    Ik schiet in de lach. Dat had ik nou net nodig: iemand die me komt vertellen dat ik God ben.

    Nu Emma me op haar manier een peptalk komt geven, moet ik denken aan de podcast Bob. Bob was de buurjongen en grote liefde van de 84-jarige Elisa, die voortdurend over hem praat, maar Elisa is dementerend en tot voor kort hadden haar dochters nog nooit van Bob gehoord. In de podcast gaan drie radiomakers op onderzoek uit: bestaat Bob?

    Van tevoren dachten de radiomakers niet goed na over de mogelijke consequenties van hun zoektocht; uiteindelijk twijfelen ze of Elisa de antwoorden die ze hebben gevonden wel aankan. Ze besluiten haar nog niets te vertellen, maar Elisa voelt feilloos aan dat ze iets voor haar verbergen. ‘Jullie weten het wel’, zegt ze. ‘Ik weet dat jullie iets weten.’

    Door haar dementie heeft Elisa steeds minder grip op feitelijkheden, waardoor ze steeds meer aandacht heeft voor gevoel, legt een specialist ouderengeneeskunde uit in de podcast. Net zoals iemand die steeds slechter ziet, steeds beter kan horen.

    Dat geldt ook voor Emma. Ze heeft last van wanen en hallucinaties en kan feit en fictie ook niet van elkaar scheiden: ze is chronisch psychotisch. Aan de dingen om haar heen kan ze minder goed betekenis geven en dat maakt haar gevoel voor sfeer en stemming des te sterker.

    Een paar keer per week halen Emma’s ouders haar op van het stationnetje tegenover het ggz-terrein. Als ze haar aan het eind van de middag weer hebben teruggebracht, zwaai ik ze samen met Emma uit. Haar moeder blaast handkusjes van achter het raam.

    De trein is uit het zicht verdwenen, Emma draait zich naar mij om en zegt: ‘Ik heb net te horen gekregen dat ik geen vader en moeder meer heb.’

    ‘Wat vreselijk. Kom, we gaan gauw naar huis, dan moet je me vertellen wat er is gebeurd.’

    Emma haakt haar arm in die van mij. ‘Zullen we dan maar heel lang leven?’, vraagt ze.

    ‘Graag.’

    ‘Zonder slaap.’

    ‘Nee! Nee, in godsnaam. Lang leven, mét slaap.’

  • Patrick wil graag een relatie, daarom spreekt hij iedere vrouw aan die we tegenkomen

    Aan de rand van het ggz-terrein staat het sanatorium, dat in 1932 werd geopend voor de opname van ruim honderd zenuwlijders. Voor een gesticht ziet het gebouw er best gezellig uit. Mooi metselwerk, glas-in-loodramen, erkers, aan de voorkant een balkon en aan de achterkant een serre. Er zit een overdreven groot dak op en dat doet het ’m: het geeft een gevoel van geborgenheid.

    Het sanatorium heeft zijn vriendelijke uiterlijk niet alleen te danken aan de bouwstijl van de jaren dertig, maar ook aan de trends van toen in de geestelijke gezondheidszorg. De patiënten werden hier opgenomen met het idee dat ze rust, licht, buitenlucht en beweging nodig hadden, om daarna met hernieuwde krachten terug naar huis te gaan. Aan de achterkant van het gebouw kijken de ramen uit op een Japanse sierkers, die nu in bloei staat.

    ‘Moet je kijken’, zeg ik tegen Patrick (47), en ik wijs naar de boom.

    Patrick kijkt een heel andere kant uit: zijn blik is gericht op een groepje mensen in sportkleding dat in de verte onze kant op komt. ‘Er is een vrouw bij’, zegt hij.

    Patrick wil graag een relatie, daarom spreekt hij iedere vrouw aan die we tegenkomen. ‘Als ik een praatje maak, zou het iets kunnen worden.’ Op slechtere dagen zegt hij: ‘Die vrouw loopt daar speciaal voor mij’.

    Seks

    Het gaat hem niet om seks, want hij heeft het al eens gedaan. Twintig jaar geleden trok een seksueel ontremde medepatiënt hem mee naar haar bed en dat vond hij best interessant. ‘Ik dacht, nu zal hij er wel ingaan. Hij ging er inderdaad in.’ Het was Patricks eerste en laatste keer. ‘Ik heb het gedaan, dus ik weet hoe het is. Het heeft niet zo veel zin om het nog een keer te doen.’ Hij wil een relatie om aan de sleur van de kliniek te ontsnappen. ‘Elke dag is hier hetzelfde.’

    Hij is te ongeduldig om te wachten tot het gezelschap op gespreksafstand is en begint alvast te roepen. ‘Hallo, mevrouw! Goedemorgen! Goedemorgen, mevrouw!’

    Het sportclubje nadert ons aarzelend en bekijkt Patrick met een bezorgde blik. Patrick draagt een zwarte capuchon en een zonnebril – die had hij vanmorgen ook al op, toen ik hem uit bed trommelde voor zijn medicatie – en de onderste helft van zijn gezicht zit verborgen achter een dikke blonde baard. Ik weet eigenlijk ook niet hoe Patrick eruitziet.

    ‘Ik rijd geen auto’, zegt hij tegen de vrouw. ‘Jij wel?’

    ‘Ja’, zegt ze.

    ‘Rijdt je vriend ook auto?’

    ‘Ja, mijn vriend rijdt ook auto.’

    Patrick stelt nog een paar vragen – hij wil weten wat haar favoriete vakantieland is en of ze graag muziek luistert uit de jaren negentig – en dan breit ze er een eind aan. ‘Wij gaan verder, hoor’, zegt ze, en ze glimlacht naar Patrick. ‘We moeten nog hardlopen.’

    We wandelen verder. ‘Aardige vrouw’, zegt hij. ‘Jammer dat ze al een vriend heeft.’

    Vrouwen

    Vrouwen reageren goed op Patrick. Ze weten hem op afstand te houden zonder dat hij zich afgewezen voelt of het idee krijgt dat ze hem raar vinden. Dat komt doordat vrouwen daarin zijn getraind. Als vrouw moet je dat kunnen, omdat je anders de hele tijd in de problemen komt. Dat weet iedereen die eruitziet als een vrouw of er ooit heeft uitgezien als een vrouw.

    Lily Allen zingt in Knock ’Em Out over een vrouw, of eigenlijk over alle vrouwen, die in de kroeg wordt aangesproken door een man en wanhopig probeert te bedenken hoe ze in godsnaam weer van hem afkomt. Aan het eind van het nummer begint ze lukraak smoesjes te roepen: ‘I’ve got to go, my house is on fire. I’ve got herpes. No, syphilis. Aids, aids. I’ve got aids.’

    ‘Maar kijk nou eens naar die boom’, zeg ik tegen Patrick.

    ‘O, ja. Ja, mooi.’

    De Japanse sierkers hoorde bij de missie van het sanatorium. Negentig jaar geleden hadden ze hem geplant met de gedachte: fleurig uitzicht voor de zenuwlijders. Inmiddels bestaan zenuwlijders als patiëntencategorie niet meer en staat het sanatorium al jaren leeg, maar de boom is mooier dan ooit: hoog, breed en bomvol dikke trossen lichtroze bloesem.