Deze columns verschenen eerder in de Volkskrant. De namen in de columns zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.

  • Normaal gesproken ­betekent corona dat we meer moeten doen in minder tijd, maar dit keer is er een wonder gebeurd

    Tijdens mijn nachtdienst keek ik uit het raam. Het was heel vroeg in de ochtend, de zon was nog maar net op en tussen de plastic stoelen op het terras zag ik een figuurtje scharrelen. Toos (70) ging gebukt langs de stoelen en maakte die met een theedoek droog. Ik ontdekte dat ze dat elke dag doet.

    De andere patiënten worden veel later pas wakker, die weten niet dat de stoelen ooit nat zijn geweest. Ze wrijven zich de slaap uit de ogen, sjokken de trap af, ploffen neer op zo’n stoel en steken een sigaret op.

    Maar vandaag zijn de stoelen nog nat. Toos is vanmorgen niet in de tuin geweest, want ze zit in quarantaine: corona. De patiënten kijken verbaasd naar de druppels op de leuning en het plasje in de zitting. ‘De stoelen zijn nat’, mopperen ze tegen elkaar, en ze blijven dan maar staan.

    Bij de zusterpost heeft zich een groepje patiënten verzameld. ‘Wij willen graag koffie.’

    ‘Dan zet je die toch?’

    ‘We weten niet hoe dat moet. Toos zet altijd koffie.’

    Dat kan ik de patiënten niet helemaal kwalijk nemen, want Toos is de baas in de keuken. Ik heb haar weleens gevraagd waarom ze liever niet wil dat anderen koffie zetten, de vaatwasser inruimen of bestek uit de lade pakken.

    ‘Als andere mensen hier komen, is de keuken in gevaar.’

    ‘Wat zou er dan kunnen gebeuren?’

    Ze zei niets.

    Ik probeerde het nog eens. ‘Wat zou er dan met de keuken kunnen gebeuren, Toos?’

    Geen antwoord.

    Ik heb haar dossier weleens doorgespit, helemaal tot het begin, omdat ik wilde weten hoe ze in deze psychiatrische kliniek is terechtgekomen, maar zo ver terug gaat de digitale administratie niet. Toos woont hier al langer dan veertig jaar. Haar dossier is vooral het verslag van een steeds kleiner bestaan.

    Aan het begin van mijn dienst ga ik meteen bij haar kijken. Voor de deur van haar kamer hijs ik me in beschermende kleding – schort, mondkapje, handschoenen en spatbril – en ik ga naar binnen.

    Ze ligt in een vreemde houding in bed, met haar benen over de rand. Ze heeft vandaag nog niets gegeten of gedronken, zo te zien: het ontbijt en de lunch staan onaangeroerd op haar nachtkastje en alle glazen en bekers zitten nog vol. Haar bed is nat, de vloer ook en ik ruik urine.

    ‘Toos? Hoe gaat het?’

    Ze kijkt me aan met haar smalle, bleke gezichtje. ‘Ik kan niet overeind komen.’

    Ik meet haar temperatuur: koorts. Nu zijn er een heleboel dingen die ik moet doen. Eerst wil ik controleren of ze haar medicatie wel heeft ingenomen; Toos is de enige patiënt op de afdeling die haar medicatie zelf bewaart. Ik moet haar vitale functies meten en doorgeven aan de arts, die ik moet bellen om te overleggen of haar medicatie moet worden aangepast. Ik moet Toos overeind helpen om te drinken. Ik moet haar verschonen en haar bed ook. De vloer schoonmaken. Ze is te zwak om de wc op de gang te bereiken, daar moet ik ook iets op verzinnen. Misschien kan ik een postoel lenen van de ouderenafdeling. En zo zijn er nog wel twintig dingen.

    Toos is niet de enige patiënt op de afdeling die corona heeft en beneden wachten de patiënten op mij die geen corona hebben. Normaal gesproken betekent een corona-uitbraak dat er meer gedaan moet worden in minder tijd, omdat er nog minder personeel beschikbaar is dan anders, maar vandaag is er een wonder gebeurd: door een misverstand is er juist een collega te veel.

    ‘Ga jij de coronapatiënten maar helpen’, zegt mijn boventallige collega. ‘Ik regel het hier wel.’

    Vandaag ben ik Toos’ verzorger, huishoudelijke hulp en ober. Omdat ze zo weinig zegt, weet ik eigenlijk niet goed of ze het fijn vindt dat ik om de haverklap aan haar bed sta, maar ze voelt zich in elk geval niet hulpeloos of alleen. Dat weet ik zeker. Aan het eind van mijn dienst zit ze er een stuk florissanter bij.

    Op de fiets naar huis weet ik dat ik alles heb gedaan wat ik wilde doen. Toch heb ik geen voldaan gevoel. Eerder somber, want ik denk: een boventallige collega overkomt me vast nooit weer.

  • Iedereen keek naar die gorgelende oude man, maar dat kon die familie niets schelen

    Voor de ingang van de psychiatrische kliniek staat een man op één been. Hij schraapt met een stokje tussen het profiel van de schoen aan de voet van zijn andere been: in de poep gestapt. Nu ik wat beter kijk, zie ik wie het is: de broer van Paultje. Verdorie. Paultje krijgt bijna nooit bezoek en nu heeft zijn broer ongetwijfeld al spijt dat hij is gekomen.

    Angstig

    Paultje (59) heeft schizofrenie en een verstandelijke beperking. Vanmorgen stond hij met een angstig gezicht voor me. ‘Ik heb me afgetrokken’, zei hij. Hij hield zijn hand bij zijn kruis en maakte rukbewegingen. ‘Erg, hè? Dat mag eigenlijk niet, hè? Is dat erg?’

    ‘Waar heb jij je afgetrokken?’
    ‘In bed.’
    ‘In je eigen bed?’
    ‘Ja, in mijn kamertje. Deur op slot.’
    ‘O, dat is hartstikke goed. Heb je je handen gewassen?’
    ‘Ja.’
    ‘Super.’

    Maar Paultje was nog niet overtuigd. Als een mantra begon hij te herhalen wat anderen erover tegen hem hebben gezegd: dat het heel normaal is, dat alle mannen het doen, dat het geen kwaad kan. Ik knikte.

    ‘Maar God heeft het gezien. God ziet alles, zeggen ze.’
    ‘Dat is figuurlijk, Paultje. God ziet niet letterlijk alles. Er wordt mee bedoeld dat je geen slechte dingen moet doen, ook niet als niemand het ziet.’‘Het staat in de Bijbel.’
    ‘Ik weet heel zeker dat God niet naar jou kijkt als je aan het masturberen bent.’
    ‘Nee? Ziet God dat niet?’
    ‘God ziet bijna niks.’

    ’s Middags loop ik langs het terras van het restaurant op het terrein. Het is druk: er zitten collega’s die pauze hebben en patiënten met bezoekers. Paultje en zijn broer zitten er ook.

    ‘Thomas!’, roept Paultje enthousiast. Hij steekt zijn arm in de lucht en maakt rukbewegingen. ‘Dit is niet erg, hè? Masturberen mag, hè?’

    Nu kijken er een heleboel mensen naar hem. Zijn broer krimpt ineen. Ik steek mijn duim op en Paultje wendt zich weer tot zijn broer. ‘Thomas zegt dat God zowat blind is.’

    Schaamte

    Schaamte is niet de voornaamste reden dat veel psychiatrische patiënten weinig bezoek krijgen en nooit worden meegenomen naar een plek buiten de kliniek, maar het speelt vaak wel mee.

    Ooit zag ik op een terras een familie zitten. Er was een oude man bij in een rolstoel, die hulp kreeg bij het drinken. Rond dit gezelschap waren de tafeltjes leeg, niemand wilde daar zitten, en ik begreep al gauw hoe dat kwam: na elke slok gooide de oude man zijn hoofd in zijn nek en begon keihard te gorgelen.

    Het stemgeluid dat hij produceerde om het geborrel achter in zijn keel kracht bij te zetten, klonk als het geblèr van een dier: een schaap of een geit. Het schalde over het drukke plein. Iedereen keek, maar dat kon die familie niets schelen. Ze waren opgewekt met elkaar in gesprek en bleven hem een slok aanbieden, tot zijn glas leeg was.

    Het is al heel lang geleden dat ik die familie daar zag zitten, ik was nog maar een tiener, maar ik wist dat ik naar iets belangrijks keek. Daarom zijn ze me altijd bijgebleven, die oude man en zijn familie.

    Broek

    Ik wandel terug naar de kliniek en daar kom ik Lies (62) tegen. Lies heeft stevige bergschoenen aan, draagt een rugzak en heeft een hoedje op; ze ziet eruit alsof je haar zou kunnen tegenkomen op een wandelroute in de Alpen. Ze draagt alleen geen broek. Haar lange geruite blouse bedekt haar billen wel, maar het ziet er toch vreemd uit. Lies gaat wel vaker zonder broek op pad en dat is uit praktische overwegingen. Ik heb meer dan eens gezien hoe ze tijdens een wandeling plotseling hurkte en haar plas liet lopen, midden op het pad.

    ‘Ga jij even gauw een broek aantrekken?’, vraag ik. Nu schiet me ook nog iets anders te binnen. ‘En wil je hier niet weer voor de deur poepen?’
    Ze kijkt me verrast aan. ‘Hoe weet je dat ik dat was?’

  • Sjoerd verwacht dat het overal vrede wordt als alle landen bij hetzelfde koninkrijk horen

    Het is midden in de nacht en Sjoerd (34) zit in zijn kamer te schreeuwen. ‘Kappen, nou!’, brult hij. ‘Ik maak jullie allemaal kapot!’ Hij heeft last van geluiden die de andere patiënten maken: piepende deuren, voetstappen op de gang, een wc die wordt doorgetrokken. Zo kan hij zich niet concentreren.

    Sjoerd is chronisch psychotisch en gelooft dat hij de opdracht heeft om vrede te stichten op aarde. Je kunt hem daarin beter niet dwarszitten. Zijn ouders bellen weleens naar de kliniek om te vragen hoe het met hem gaat, en als we dan zeggen dat het goed gaat, vragen ze verschrikt: ‘Hij komt toch niet naar huis?’

    Ik klop bij hem aan. Meteen zwaait de deur open en Sjoerd schreeuwt in mijn gezicht: ‘Wat moet je nou?’

    Een andere patiënt loopt langs, kijkt lachend naar hem en tikt op zijn voorhoofd. Het kan hem niet schelen of Sjoerd dat ziet. De meeste patiënten vinden het stiekem wel leuk als de boel uit de hand loopt.

    ‘Godverdomme!’, roept Sjoerd naar hem. ‘Ik breek je beide poten, achterlijke mongool.’ Dan kijkt hij naar mij. ‘En wat sta jij hier nou te koekeloeren? Tief toch lekker op, man.’

    Seksgeluiden

    De patiënt die naast hem woont, begint seksgeluiden te maken: ze kreunt luid en bonkt de rand van haar bed ritmisch tegen de muur. Een paar deuren verderop zet iemand keihard de radio aan. Hoe meer herrie Sjoerd maakt, hoe meer herrie de anderen maken.

    ‘Ga je mee?’, vraag ik. ‘Bij mij is het heel rustig.’

    Hij kijkt me aan.

    ‘En ik heb Monatoetjes.’

    Hij gaat mee. In de gang tegenover de medicatiekamer staan een paar stoelen. ‘Ga hier maar zitten’, zeg ik. ‘Ik ga je toetje halen.’

    ‘Wil je ook een paar lege A4’tjes voor me meenemen uit het kopieerapparaat?’, vraagt hij.

    In de deuropening van de medicatiekamer controleer ik de medicatie voor morgen, zo kan ik Sjoerd mooi een beetje in de gaten houden. Hij zit druk te schrijven en te tekenen en kijkt af en toe peinzend naar het plafond. Intussen lepelt hij zijn bakje pudding leeg.

    Hij houdt een A4’tje omhoog. ‘Draaiend Koninkrijk der Universum’, staat erop. Die naam heeft hij bedacht voor het nieuwe koninkrijk: Sjoerd verwacht dat het overal vrede wordt als alle landen bij hetzelfde koninkrijk horen. Voor de zekerheid betrekt hij het hele universum erbij.

    Even later houdt hij weer een A4’tje omhoog. Er staat: ‘Prie-prie’. Een woord dat hij net heeft bedacht.

    ‘Wat betekent dat?’

    ‘Het is een groet. Als jij naar je werk gaat, kun je bijvoorbeeld zeggen: ik ga naar mijn werk, de mazzel en prie-prie.’

    Universum

    In het Draaiend Koninkrijk der Universum spreekt iedereen dezelfde taal en Sjoerd moet die taal maken. ‘Dat is heel moeilijk. Ik heb al een heleboel nieuwe woorden, maar het is nog geen taal.’

    ‘Je zou kunnen kijken naar de universele eigenschappen van gesproken talen’, zeg ik. ‘Alle talen bestaan uit klanken waarmee je woorden kunt maken, die je kunt combineren om zinnen te maken. En alle talen hebben klinkers en medeklinkers.’

    Ik vertel hem ook over het bouba/kiki-effect: als mensen een vorm met rondingen en een puntige vorm de naam bouba of kiki moeten geven, dan noemen de meeste mensen de ronde vorm bouba en de puntige vorm kiki. Er is dus een verband tussen klank en vorm, en dat is ook iets om rekening mee te houden.

    Sjoerd kijkt me glazig aan. ‘Anders doen we gewoon Engels’, zegt hij. ‘De meeste mensen spreken toch al Engels. Engels is de meest gesproken taal.’

    Dat is niet waar – Mandarijn is de meest gesproken taal – maar laat ik het niet nog ingewikkelder maken.

    Hij begint weer driftig te schrijven. Op het volgende A4’tje dat hij omhooghoudt, staat: ‘Turning Kingdom of Universe’. Hij schrijft het nog twee keer over en klikt dan de dop op zijn pen en glimlacht tevreden. ‘Morgen stuur ik het naar de overheid.’

    Morgen begint dit weer van voor af aan. Morgen bedenkt hij nieuwe namen, andere woorden en betere ideeën, maar voor nu is hij klaar. Nu kan hij gaan slapen.

    ‘Doeidoei’, zegt hij.

    ‘Slaap lekker, Sjoerd.’

    ‘Prie-prie.’

  • Ferry heeft het weer gedaan. En liegt daar niet over

    Op de gang ligt een bord aan gruzelementen. Het is tegen de muur gesmeten, zo te zien: aan het behang kleeft een sliert spaghetti en tomatensaus. De patiënten staan te dringen om te vertellen wat ik al dacht: Ferry heeft het gedaan.

    Nu moet ik Ferry een time-out geven. Mijn collega loopt met me mee, want ze denkt dat ik dat niet kan. Ik kan haar geen ongelijk geven. Telkens als ik eropuit word gestuurd om een patiënt een time-out te geven, komt er niets van terecht.

    Ferry (56) zit op de bank in de gezamenlijke huiskamer. Hij heeft zijn jas aan – die heeft hij altijd aan, ook als het 30 graden is – en tussen zijn voeten staat de plastic boodschappentas die hij overal mee naartoe neemt.

    ‘Heb jij zonet een bord stukgegooid?’

    ‘Ja’, zegt hij.

    Kijk, dat neemt me meteen voor hem in. De meeste patiënten zouden erover liegen.

    ‘Je weet wat dat betekent, hè?’, vraagt mijn collega.

    Een time-out betekent dat hij een poos alleen in een kamertje moet zitten. Het idee daarachter is dat hij zich wel twee keer bedenkt voordat hij weer iets flikt, maar daar merken we tot op heden weinig van.

    Gisteren was de wc verstopt. Met mijn arm verpakt in een vuilniszak graaide ik in de pot. De oogst: een geruite pyjamabroek, drie sokken en een voetbalshirt van PSV. Ferry’s favoriete club.

    ‘Ferry?’, riep ik. ‘Waarom heb jij je kleren door de plee gespoeld?’

    Hij kwam eraan geslenterd en ik hield hem het druipende shirt voor. ‘Tsja’, zei hij, en hij haalde zijn schouders op. De storm in zijn hoofd was intussen gaan liggen en nu wist hij ook niet meer waarom hij dat had gedaan.

    ‘Ik wil zulke dingen helemaal niet doen’, zei hij, toen ik buiten met hem wandelde. ‘Het gebeurt in een opwelling, als ik boos ben. Ik ben heel vaak boos.’

    ‘Hoe komt dat?’

    ‘Incest’, mompelde hij.

    Als kind werd hij verkracht door zijn vader en geslagen door zijn moeder. Ze sloeg hem zo hard dat er iets onherstelbaar kapotging in zijn hoofd.

    ‘Hoelang moet ik in dat kamertje zitten?’

    Geen idee. Ik kijk mijn collega aan.

    ‘Een uur’, zegt ze.

    ‘Een uur!’, roept hij verontwaardigd.

    ‘Dat weet je ook wel, Ferry.’

    ‘Kutzooi.’

    De pieper van mijn collega gaat; ze moet ergens anders naartoe. ‘Gaat dit jullie verder lukken zo?’, vraagt ze.

    ‘Ja, hoor’, zeggen wij in koor.

    Ik weet niet waar het kamertje is, maar Ferry wel, want hij heeft er al heel vaak gezeten. Hij sloft voor me uit met zijn smalle, hangende schouders en dikke bos strohaar. We gaan de hoek om, een trap af, de gang door, een trap op.

    ‘Waar is dat strafhok helemaal?’

    Ferry grinnikt. ‘Het valt wel mee, hoor. Je kunt er muziek luisteren en er liggen knutselspullen. Hier is het.’

    Achter de deur die hij opent zit een fitnessruimte. Er staan hometrainers, krachttoestellen en een rek met gewichten. ‘Ik dacht dat het hier was.’ Hij kijkt aarzelend om zich heen. ‘Nu weet ik het even niet meer.’

    ‘Ga hier dan maar zitten.’

    Hij ploft neer op een halterbankje.

    Ik pak voor ons beiden een paar gewichten uit het rek en we doen een reeks curls. Hij houdt het best lang vol met zijn dunne armpjes. In de hoek van de zaal hangt een bokszak. Ik geef er een harde trap tegenaan. ‘Dit is leuk, Fer. Dit moet je echt proberen.’

    Ferry staat op en schopt ook tegen de bokszak. ‘Ja, lekker.’

    Om en om geven we een harde trap, de zak zwaait wild heen en weer.

    ‘Stel je voor dat iemand ons zou aanvallen’, hijgt hij. ‘Nou, die is dan echt de lul.’

    ‘Zeker.’

    Hij klautert op de hometrainer en begint fanatiek te trappen. ‘Kijk, hij geeft aan of ik het goed doe’, zegt hij, en hij wijst naar het schermpje. ‘Ik heb al 7 calorieën verbrand.’

    Daarna gaat hij op de loopband en de roeimachine. Intussen is het uur voorbij. De time-out zit erop.

    ‘Morgen weer?’, vraagt Ferry.

  • ‘Hallo, meneer! Houdt u van lezen? Meneer, leest u graag? Meneer!’

    Patrick (47) heeft ooit in een boekwinkel gewerkt. ‘Ik kreeg daar geen geld voor, maar wel gratis boeken’, zegt hij. Dat was een slechte deal: in de supermarkt kun je met boeken niet betalen en Patrick houdt niet van lezen. De boeken stapelden zich ongelezen op in zijn kamer. ‘Mijn huisgenoten wilden er de haard mee aansteken, maar dat mocht niet van mij. Boeken verbranden deden ze in de Tweede Wereldoorlog. Het hoort niet.’

    Patrick is heel stellig over wat wel of niet hoort en daar hebben we in de kliniek best veel profijt van. Hij is een van de weinige patiënten die de rommel achter zich opruimt en hij houdt zijn handen thuis. Als een losgeslagen patiënt hem een tik geeft, slaat hij niet terug. Slaan hoort niet.

    Wat ook niet hoort: een lege wc-rol in de houder laten hangen. Wat al helemáál niet hoort: een lege wc-rol neerzetten op de spoelbak van de wc. Een paar jaar geleden liep een conflict over lege wc-rollen zo hoog op dat Patrick moest verhuizen naar een andere afdeling.

    ‘Ik kon niet in de boekwinkel blijven werken.’

    ‘Waarom niet?’

    ‘Ze zeiden dat ik daar niet hoorde, ze zeiden: jij hoort in de psychiatrie.’

    ‘Wat was er dan gebeurd? Waarom zeiden ze dat?’

    Hij haalt zijn schouders op. ‘Ik weet het niet. Dat zeiden ze gewoon.’

    Zijn werk in de boekwinkel is ruim twintig jaar geleden. Het was geen gewone baan en hij woonde toen ook al onder begeleiding, maar dichter bij een gewoon, werkend leven is hij daarna niet meer gekomen. Net als veel andere patiënten op deze afdeling heeft hij nooit zelfstandig gewoond. Als deze patiënten zeggen dat ze naar huis willen, bedoelen ze: terug naar hun ouders.

    Patrick weet niet hoe de wereld buiten de kliniek in elkaar steekt, waardoor mensen ten onrechte vaak denken dat hij dom is. Vanmiddag brak het oor van de theepot en Patrick vroeg: ‘Zal ik de theepottenfabriek bellen?’

    Tijdens onze wandeling rond de kliniek komen we twee wandelaars tegen. ‘Goedemiddag, meneer! Hallo, mevrouw!’, roept Patrick. ‘Meneer? Mevrouw?’

    De wandelaars kijken de andere kant op en lopen door.

    ‘Ze willen met rust gelaten worden’, concludeert hij.

    ‘Of ze zijn doof’, zeg ik korzelig. Zonet kwamen we ook al twee keer mensen tegen die niet op Patrick reageerden. Als je geen psychiatrische patiënten wil tegenkomen, moet je niet op een ggz-terrein gaan wandelen, vind ik.

    In de boekwinkel heeft Patrick geleerd hoe lezers eruitzien. ‘Die daar’, zegt hij. Hij wijst naar een kleine man die naast de kliniek uit een auto stapt. Grijs baardje en een bril, aktetas onder de arm. ‘Dat is een professortje’, zegt hij, en hij roept: ‘Hallo, meneer! Houdt u van lezen? Meneer, leest u graag? Meneer!’

    ‘Ja’, antwoordt de man. ‘Ik lees graag.’

    ‘Adriaan van Dis? Leest u Adriaan van Dis? Ja? Welk boek?’

    Geamuseerd kijkt de man naar Patrick, terwijl hij zijn vragen beantwoordt. Dan kijkt hij mij aan met een samenzweerderige blik en knipoogt vrolijk, alsof hij wil zeggen: grappig, hè? Dit aandoenlijke gesprekje met deze gekke patiënt.

    Patricks gezicht betrekt. Wat er gebeurt, begrijpt hij niet, maar hij voelt wel dat hij wordt buitengesloten.

    Ik zet mijn onderste oogleden in. Mijn onderste oogleden zijn mijn geheime wapen, ik kan ze bewegen en dat ziet er angstaanjagend uit. Ik staar het professortje aan en trek mijn oogleden een stukje omhoog, waardoor mijn ogen verkeerd om lijken te sluiten. Hij deinst achteruit. Zonet dacht hij nog in gesprek te zijn met een patiënt en zijn begeleider, nu twijfelt hij of hier twee patiënten staan.

    ‘Heeft u kleingeld?’, vraag ik. Dat is de genadeklap.

    ‘Twee euro graag’, zegt Patrick, ‘dan kunnen wij cola kopen.’

    ‘Nee’, zegt de man. Hij draait zich om en loopt met versnelde pas naar de ingang van de kliniek.

    ‘Dag, meneer!’, roept Patrick, en hij zwaait hem na. ‘Dáág!’

  • Emma zwaait haar ouders uit, draait zich naar mij en zegt: ‘Ik heb net te horen gekregen dat ik geen vader en moeder meer heb’

    Emma (41) veert op in bed, slaat de dekens van zich af en kijkt me kwaad aan. ‘Jij zegt dat ik een hoer ben.’

    ‘Nee, ik vroeg of je uit bed wilt komen. Je ouders komen je straks ophalen. Ik maak je ontbijt, ja?’

    ‘Ik heb geen ouders.’

    Na een stevige onderhandeling komt ze uit bed. Op mijn aanwijzingen stapt ze onder de douche, kleedt zich aan en maakt haar bed op, daarna loods ik haar door de gang naar de ontbijtzaal. Tegen iedereen die we tegenkomen zegt ze: ‘Hij heeft me uit bed gedwongen met een pistool tegen mijn kop.’

    Emma staat bekend om haar ochtendhumeur en haar gewoonte om aandacht te vragen door te provoceren. Ze weet alleen niet zo goed hoe dat moet. Laatst kwam ze vertellen dat ze een erectie had. ‘Hier’, zei ze, en ze wees naar haar knie.

    Even later sluit ik mezelf per ongeluk buiten van de zusterpost; door het raam zie ik mijn sleutelbos op tafel liggen. In plaats van mijn collega te vragen de deur open te doen, ga ik op zoek naar een reservesleutel. Maar als je probeert een blunder te verhullen, bega je minstens drie nieuwe, dat is een natuurwet. Ik laat de medicijnkast openstaan, stoot mijn koffie om en laat mijn portofoon in drie stukken op de grond kletteren. Mijn collega kijkt me aan en fronst haar wenkbrauwen.

    Als ik eenmaal weer op de zusterpost zit, staar ik mistroostig voor me uit. Ik tel mijn blunders bij elkaar op en concludeer: dit werk is te moeilijk voor mij.

    Emma is niet de enige die met het verkeerde been uit bed is gestapt. Ik ben nog niet bijgekomen van mijn nachtdiensten en zou eigenlijk wat slaap moeten inhalen, misschien wel een uur of zes, want bij de minste of geringste tegenslag voelt het alsof mijn elastiekje knapt.

    Op een stoel in de gang zit Emma al een tijdje naar me te kijken. Ze staat op en komt in de deuropening staan. ‘Ik wil wat vragen.’

    ‘Ja?’

    ‘Ik denk steeds dat jij God bent. Is dat zo?’

    Ik schiet in de lach. Dat had ik nou net nodig: iemand die me komt vertellen dat ik God ben.

    Nu Emma me op haar manier een peptalk komt geven, moet ik denken aan de podcast Bob. Bob was de buurjongen en grote liefde van de 84-jarige Elisa, die voortdurend over hem praat, maar Elisa is dementerend en tot voor kort hadden haar dochters nog nooit van Bob gehoord. In de podcast gaan drie radiomakers op onderzoek uit: bestaat Bob?

    Van tevoren dachten de radiomakers niet goed na over de mogelijke consequenties van hun zoektocht; uiteindelijk twijfelen ze of Elisa de antwoorden die ze hebben gevonden wel aankan. Ze besluiten haar nog niets te vertellen, maar Elisa voelt feilloos aan dat ze iets voor haar verbergen. ‘Jullie weten het wel’, zegt ze. ‘Ik weet dat jullie iets weten.’

    Door haar dementie heeft Elisa steeds minder grip op feitelijkheden, waardoor ze steeds meer aandacht heeft voor gevoel, legt een specialist ouderengeneeskunde uit in de podcast. Net zoals iemand die steeds slechter ziet, steeds beter kan horen.

    Dat geldt ook voor Emma. Ze heeft last van wanen en hallucinaties en kan feit en fictie ook niet van elkaar scheiden: ze is chronisch psychotisch. Aan de dingen om haar heen kan ze minder goed betekenis geven en dat maakt haar gevoel voor sfeer en stemming des te sterker.

    Een paar keer per week halen Emma’s ouders haar op van het stationnetje tegenover het ggz-terrein. Als ze haar aan het eind van de middag weer hebben teruggebracht, zwaai ik ze samen met Emma uit. Haar moeder blaast handkusjes van achter het raam.

    De trein is uit het zicht verdwenen, Emma draait zich naar mij om en zegt: ‘Ik heb net te horen gekregen dat ik geen vader en moeder meer heb.’

    ‘Wat vreselijk. Kom, we gaan gauw naar huis, dan moet je me vertellen wat er is gebeurd.’

    Emma haakt haar arm in die van mij. ‘Zullen we dan maar heel lang leven?’, vraagt ze.

    ‘Graag.’

    ‘Zonder slaap.’

    ‘Nee! Nee, in godsnaam. Lang leven, mét slaap.’