Voor pampus in een verpleeghuis liggen, dat wil ik écht niet

Mevrouw Van Egmond (84) eet precies genoeg om in leven te blijven, meer niet. Ik houd haar een lepel pap voor en ze doet haar mond open. Na vier happen blijft-ie dicht.

’s Middags breng ik een warme maaltijd, die is gemalen: een bord met gele, bruine en groene smurrie erop. Geel zijn aardappelen en bruin is vlees. Ik schep een lepel groen op. ‘Dit is misschien spinazie, maar het kan ook broccoli zijn’, zeg ik.

Mevrouw Van Egmond kijkt me alleen maar aan met haar grote ronde ogen in diepe kassen. Ze heeft dementie. Haar hersenen zijn inmiddels zo beschadigd dat ze niet meer kan praten, denken en bewegen; ze heeft alleen nog een paar reflexen over. Ik heb mijn collega’s gevraagd wie mevrouw Van Egmond vroeger was, maar ze ligt al zo lang in een min of meer vegetatieve toestand in bed, dat niemand haar ooit anders heeft gekend.

Mijn collega komt binnen met de medicijnen. Ze gaat naast het bed staan en aait over haar dunne haren. ‘Ze lijkt op een engel.’

‘Ja’, zeg ik, al meen ik er niets van. Mevrouw Van Egmond ziet er niet uit als een engel. Mevrouw Van Egmond ziet eruit als een skelet. ’s Ochtends leg ik mijn ene hand op het puntige bot van haar heup en de andere op haar benige schouder, en dan draai ik haar op haar zij om haar achterwerk te wassen. Ze weegt niets.

Voor pampus liggen in een verpleeghuis, dat wil ik later dus écht niet. Ik moet ervoor zorgen dat ik voor die tijd dood ben.

Mijn collega rijdt verder met de medicijnkar. Nu gaat ze naar meneer Tibben (81), die woont naast mevrouw Van Egmond. Meneer Tibben is een klein mannetje met een heel vriendelijk gezicht; zijn blik is zacht en zijn mondhoeken krullen altijd omhoog. Mijn collega stapt zijn kamer binnen, hij steekt zijn lieve gezichtje boven de dekens uit en vraagt: ‘Wil je me pijpen?’

Zo is meneer Tibben. Later die dag komen de kleindochters van een andere bewoner op bezoek en daar loopt hij wrijvend over zijn kruis achteraan.

Jan en alleman om seks vragen, dat wil ik later dus ook écht niet. O, er zijn zo veel redenen om dood te willen.

Eerder deze week legde het tuchtcollege een waarschuwing op aan een arts die euthanasie heeft uitgevoerd bij een patiënt met dementie. Volgens de wet moet de arts die het euthanasietraject uitvoert, haar besluit laten toetsen door een onafhankelijke arts. In dit geval vroeg die onafhankelijke arts zich af of patiënts dementie intussen niet zo ver gevorderd was dat van actueel lijden geen sprake meer was. Volgens het college heeft de arts die mogelijkheid onvoldoende onderzocht.

Euthanasie bij mensen met ernstige dementie gebeurt bijna nooit en dat snap ik wel. Als meneer Tibben een wilsverklaring met een verzoek om euthanasie had getekend en hier stond opeens een arts op de stoep met een spuitje, dan zou ik ook zeggen: ‘Waarom nou? Hij is altijd zo vrolijk.’

Aan de andere kant weet iedereen dat meneer Tibben niet had willen worden zoals hij nu is. Dat is geen goede reden voor euthanasie; er zijn immers wel meer mensen gek geworden en die krijgen ook geen euthanasie. Daar tegenover staat dat dementie een degeneratieve ziekte is. Het wordt nooit beter, alleen maar erger. Als je maar lang genoeg leeft, kun je er uiteindelijk net zo bij komen te liggen als mevrouw Van Egmond.

De euthanasiewet móét versoepeld worden voordat ik dement ben. Ik bedoel niet dat ik bij dementie sowieso dood wil, maar wel onder bepaalde omstandigheden. Ik ga een uitgebreide beslisboom maken, waarin precies staat wat ik wel en niet wil. Het is de bedoeling dat er later, als ik in een verpleeghuis woon, periodiek een arts mij komt observeren en die beslisboom afgaat, om te bepalen of ik toe ben aan euthanasie. Maar waar vind ik zo’n arts? En als ik hem heb gevonden, komt er dus zo’n onafhankelijke arts, die zegt: hij lijdt niet. Gaat het feest niet door.

Enfin. De kwestie lost zich vanzelf wel op. Misschien word ik niet eens dement. En als ik het wel word, geeft deze euthanasieproblematiek me waarschijnlijk zo veel stress, dat ik al vér voordat ik dood wil, dood wil.

Thomas van der Meer is schrijver en werkt in een verpleeghuis. Hij is gastcolumnist op volkskrant.nl/opinie in augustus. 

De namen van personen die in deze column voorkomen zijn pseudoniemen.

X