Deze columns verschenen eerder in de Volkskrant. De namen in de columns zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.

  • Emma zwaait haar ouders uit, draait zich naar mij en zegt: ‘Ik heb net te horen gekregen dat ik geen vader en moeder meer heb’

    Emma (41) veert op in bed, slaat de dekens van zich af en kijkt me kwaad aan. ‘Jij zegt dat ik een hoer ben.’

    ‘Nee, ik vroeg of je uit bed wilt komen. Je ouders komen je straks ophalen. Ik maak je ontbijt, ja?’

    ‘Ik heb geen ouders.’

    Na een stevige onderhandeling komt ze uit bed. Op mijn aanwijzingen stapt ze onder de douche, kleedt zich aan en maakt haar bed op, daarna loods ik haar door de gang naar de ontbijtzaal. Tegen iedereen die we tegenkomen zegt ze: ‘Hij heeft me uit bed gedwongen met een pistool tegen mijn kop.’

    Emma staat bekend om haar ochtendhumeur en haar gewoonte om aandacht te vragen door te provoceren. Ze weet alleen niet zo goed hoe dat moet. Laatst kwam ze vertellen dat ze een erectie had. ‘Hier’, zei ze, en ze wees naar haar knie.

    Even later sluit ik mezelf per ongeluk buiten van de zusterpost; door het raam zie ik mijn sleutelbos op tafel liggen. In plaats van mijn collega te vragen de deur open te doen, ga ik op zoek naar een reservesleutel. Maar als je probeert een blunder te verhullen, bega je minstens drie nieuwe, dat is een natuurwet. Ik laat de medicijnkast openstaan, stoot mijn koffie om en laat mijn portofoon in drie stukken op de grond kletteren. Mijn collega kijkt me aan en fronst haar wenkbrauwen.

    Als ik eenmaal weer op de zusterpost zit, staar ik mistroostig voor me uit. Ik tel mijn blunders bij elkaar op en concludeer: dit werk is te moeilijk voor mij.

    Emma is niet de enige die met het verkeerde been uit bed is gestapt. Ik ben nog niet bijgekomen van mijn nachtdiensten en zou eigenlijk wat slaap moeten inhalen, misschien wel een uur of zes, want bij de minste of geringste tegenslag voelt het alsof mijn elastiekje knapt.

    Op een stoel in de gang zit Emma al een tijdje naar me te kijken. Ze staat op en komt in de deuropening staan. ‘Ik wil wat vragen.’

    ‘Ja?’

    ‘Ik denk steeds dat jij God bent. Is dat zo?’

    Ik schiet in de lach. Dat had ik nou net nodig: iemand die me komt vertellen dat ik God ben.

    Nu Emma me op haar manier een peptalk komt geven, moet ik denken aan de podcast Bob. Bob was de buurjongen en grote liefde van de 84-jarige Elisa, die voortdurend over hem praat, maar Elisa is dementerend en tot voor kort hadden haar dochters nog nooit van Bob gehoord. In de podcast gaan drie radiomakers op onderzoek uit: bestaat Bob?

    Van tevoren dachten de radiomakers niet goed na over de mogelijke consequenties van hun zoektocht; uiteindelijk twijfelen ze of Elisa de antwoorden die ze hebben gevonden wel aankan. Ze besluiten haar nog niets te vertellen, maar Elisa voelt feilloos aan dat ze iets voor haar verbergen. ‘Jullie weten het wel’, zegt ze. ‘Ik weet dat jullie iets weten.’

    Door haar dementie heeft Elisa steeds minder grip op feitelijkheden, waardoor ze steeds meer aandacht heeft voor gevoel, legt een specialist ouderengeneeskunde uit in de podcast. Net zoals iemand die steeds slechter ziet, steeds beter kan horen.

    Dat geldt ook voor Emma. Ze heeft last van wanen en hallucinaties en kan feit en fictie ook niet van elkaar scheiden: ze is chronisch psychotisch. Aan de dingen om haar heen kan ze minder goed betekenis geven en dat maakt haar gevoel voor sfeer en stemming des te sterker.

    Een paar keer per week halen Emma’s ouders haar op van het stationnetje tegenover het ggz-terrein. Als ze haar aan het eind van de middag weer hebben teruggebracht, zwaai ik ze samen met Emma uit. Haar moeder blaast handkusjes van achter het raam.

    De trein is uit het zicht verdwenen, Emma draait zich naar mij om en zegt: ‘Ik heb net te horen gekregen dat ik geen vader en moeder meer heb.’

    ‘Wat vreselijk. Kom, we gaan gauw naar huis, dan moet je me vertellen wat er is gebeurd.’

    Emma haakt haar arm in die van mij. ‘Zullen we dan maar heel lang leven?’, vraagt ze.

    ‘Graag.’

    ‘Zonder slaap.’

    ‘Nee! Nee, in godsnaam. Lang leven, mét slaap.’

  • Patrick wil graag een relatie, daarom spreekt hij iedere vrouw aan die we tegenkomen

    Aan de rand van het ggz-terrein staat het sanatorium, dat in 1932 werd geopend voor de opname van ruim honderd zenuwlijders. Voor een gesticht ziet het gebouw er best gezellig uit. Mooi metselwerk, glas-in-loodramen, erkers, aan de voorkant een balkon en aan de achterkant een serre. Er zit een overdreven groot dak op en dat doet het ’m: het geeft een gevoel van geborgenheid.

    Het sanatorium heeft zijn vriendelijke uiterlijk niet alleen te danken aan de bouwstijl van de jaren dertig, maar ook aan de trends van toen in de geestelijke gezondheidszorg. De patiënten werden hier opgenomen met het idee dat ze rust, licht, buitenlucht en beweging nodig hadden, om daarna met hernieuwde krachten terug naar huis te gaan. Aan de achterkant van het gebouw kijken de ramen uit op een Japanse sierkers, die nu in bloei staat.

    ‘Moet je kijken’, zeg ik tegen Patrick (47), en ik wijs naar de boom.

    Patrick kijkt een heel andere kant uit: zijn blik is gericht op een groepje mensen in sportkleding dat in de verte onze kant op komt. ‘Er is een vrouw bij’, zegt hij.

    Patrick wil graag een relatie, daarom spreekt hij iedere vrouw aan die we tegenkomen. ‘Als ik een praatje maak, zou het iets kunnen worden.’ Op slechtere dagen zegt hij: ‘Die vrouw loopt daar speciaal voor mij’.

    Seks

    Het gaat hem niet om seks, want hij heeft het al eens gedaan. Twintig jaar geleden trok een seksueel ontremde medepatiënt hem mee naar haar bed en dat vond hij best interessant. ‘Ik dacht, nu zal hij er wel ingaan. Hij ging er inderdaad in.’ Het was Patricks eerste en laatste keer. ‘Ik heb het gedaan, dus ik weet hoe het is. Het heeft niet zo veel zin om het nog een keer te doen.’ Hij wil een relatie om aan de sleur van de kliniek te ontsnappen. ‘Elke dag is hier hetzelfde.’

    Hij is te ongeduldig om te wachten tot het gezelschap op gespreksafstand is en begint alvast te roepen. ‘Hallo, mevrouw! Goedemorgen! Goedemorgen, mevrouw!’

    Het sportclubje nadert ons aarzelend en bekijkt Patrick met een bezorgde blik. Patrick draagt een zwarte capuchon en een zonnebril – die had hij vanmorgen ook al op, toen ik hem uit bed trommelde voor zijn medicatie – en de onderste helft van zijn gezicht zit verborgen achter een dikke blonde baard. Ik weet eigenlijk ook niet hoe Patrick eruitziet.

    ‘Ik rijd geen auto’, zegt hij tegen de vrouw. ‘Jij wel?’

    ‘Ja’, zegt ze.

    ‘Rijdt je vriend ook auto?’

    ‘Ja, mijn vriend rijdt ook auto.’

    Patrick stelt nog een paar vragen – hij wil weten wat haar favoriete vakantieland is en of ze graag muziek luistert uit de jaren negentig – en dan breit ze er een eind aan. ‘Wij gaan verder, hoor’, zegt ze, en ze glimlacht naar Patrick. ‘We moeten nog hardlopen.’

    We wandelen verder. ‘Aardige vrouw’, zegt hij. ‘Jammer dat ze al een vriend heeft.’

    Vrouwen

    Vrouwen reageren goed op Patrick. Ze weten hem op afstand te houden zonder dat hij zich afgewezen voelt of het idee krijgt dat ze hem raar vinden. Dat komt doordat vrouwen daarin zijn getraind. Als vrouw moet je dat kunnen, omdat je anders de hele tijd in de problemen komt. Dat weet iedereen die eruitziet als een vrouw of er ooit heeft uitgezien als een vrouw.

    Lily Allen zingt in Knock ’Em Out over een vrouw, of eigenlijk over alle vrouwen, die in de kroeg wordt aangesproken door een man en wanhopig probeert te bedenken hoe ze in godsnaam weer van hem afkomt. Aan het eind van het nummer begint ze lukraak smoesjes te roepen: ‘I’ve got to go, my house is on fire. I’ve got herpes. No, syphilis. Aids, aids. I’ve got aids.’

    ‘Maar kijk nou eens naar die boom’, zeg ik tegen Patrick.

    ‘O, ja. Ja, mooi.’

    De Japanse sierkers hoorde bij de missie van het sanatorium. Negentig jaar geleden hadden ze hem geplant met de gedachte: fleurig uitzicht voor de zenuwlijders. Inmiddels bestaan zenuwlijders als patiëntencategorie niet meer en staat het sanatorium al jaren leeg, maar de boom is mooier dan ooit: hoog, breed en bomvol dikke trossen lichtroze bloesem.

  • Waarom moest Walter de chocoladereep van uitgerekend een tbs’er verorberen?

    Ik zet Walter (52) een bord pap voor en hij valt aan als een bezetene. Hij neemt de tijd niet om adem te halen of door te slikken – zijn wangen staan steeds boller. Straks smoort hij er nog in. Ik pak zijn pols vast om hem tegen te houden.

    ‘We hebben geen haast, hè? Je kunt rustig eten.’

    ‘Ja, ja. Ik eet rustig’, zegt hij. Pap druipt langs zijn kin. ‘Mag ik een sigaret?’

    Walter heeft altijd haast. Hij doet de dingen niet met aandacht, omdat hij al bezig is met het volgende dat hij moet doen. Vanmorgen wilde hij na het douchen kletsnat in zijn kleren stappen om zo vlug mogelijk bij het ontbijt te zijn. Nu hij aan het ontbijt zit, kan hij alleen maar aan zijn sigaret denken. Die sigaret heeft hij straks in no time op, omdat hij daarna koffie krijgt.

    De andere patiënten kijken hoofdschuddend toe. ‘Dit is toch niet normaal? Moet je kijken hoe hij zit te eten. Net een kleuter.’

    De patiënten kunnen weinig van elkaar hebben. Ze hebben allemaal zelf hun eigenaardigheden, en dan druk ik me nog voorzichtig uit, maar anderen moeten vooral normaal doen.

    En niet alleen de patiënten zijn streng voor Walter. Zijn zus komt vanmiddag op bezoek en daarom is hij nog gestresster dan anders. Ik heb mijn best gedaan om hem spic en span aan haar te presenteren – zijn kamer is opgeruimd, hij is gedoucht, geschoren, gekamd en draagt zijn beste kleren – maar ik weet niet of ik daarmee kan voorkomen dat hij een uitbrander krijgt. Er is altijd wel íéts.

    De telefoon gaat. Het is een patiënt van de tbs-kliniek aan de andere kant van het terrein. Hij vertelt dat hij naast Walter zat in de werkplaats. ‘Ik keek even de andere kant op en toen zat hij mijn chocoladereep op te eten. Hij propte hem gewoon in zijn mond.’

    ‘O, wat vervelend. Ik zal met hem praten.’

    ‘Ja, daar heb ik niets aan.’

    Ook dat nog. Ik heb nog genoeg andere dingen te doen, maar als ik vandaag niet bemiddel en Walter komt die tbs’er weer tegen op de werkplaats, hebben we de poppen aan het dansen. Waarom moest Walter de chocoladereep van uitgerekend een tbs’er verorberen? Waarom niet die van een patiënt van de seniorenkliniek?

    Ik hurk bij Walter neer. ‘Jan belde, die woont in de tbs-kliniek. Hij vertelde dat jij zijn chocoladereep hebt opgegeten.’

    ‘Nee. Nee, hoor.’

    ‘Echt niet?’

    ‘Het was een vergissing.’

    ‘Jan is niet blij, want die chocoladereep kostte twee euro. Hij vraagt of jij hem twee euro wilt betalen.’

    Walter springt meteen op. ‘Ja, hoor. Ja. We gaan naar de tbs-kliniek.’

    Buiten beent hij met grote passen voor me uit. Hij loopt scheef – een bijwerking van de antipsychotische medicatie die hij gebruikt – maar dat houdt hem niet tegen. Hij heeft het lijf van een marathonloper: mager en pezig. Elke dag loopt hij ook echt een marathon, als je zijn haastige wandelingen over het terrein rond de kliniek en alle keren dat hij ongeduldig heen en weer ijsbeert over de gang bij elkaar optelt.

    In de kliniek melden we ons bij de balie en ik leg uit dat we een chocoladereep komen vergoeden. Er komt net een man naar buiten. Walter stormt op hem af en probeert hem twee euro in de hand te drukken.

    ‘Ik hoef uw geld niet’, zegt de man. ‘Ik ken u helemaal niet, meneer.’

    ‘Kom maar, Walter. Dat is de verkeerde man.’

    De tbs’er mag niet naar buiten – zijn begeleider komt het geld van ons incasseren – maar achter het glas steekt hij beide duimen naar ons omhoog.

    Op de terugweg leg ik mijn hand op Walters schouder. ‘Je hebt het goed gedaan, hoor. Ik ben blij dat je Jan hebt betaald voor de chocoladereep. Nu is het opgelost.’

    Walter staat plotseling stil. Hij kijkt me aan met een blik die ik nog niet van hem kende. Hij kijkt nieuwsgierig; hij kijkt omdat hij wil weten wie ik ben. Dit is de eerste keer dat ik echt contact met hem heb.

    ‘Wat is jouw sterrenbeeld?’, vraagt hij.

    ‘Steenbok.’

    ‘O, steenbok. Dat ga ik onthouden.’

  • Ik weet zeker dat er geen satellieten over de kliniek vliegen die Patrick in de gaten houden

    Mijn dienst is net begonnen als de telefoon gaat. Het is de politie, die al dagenlang door een van onze patiënten wordt bestookt met complottheorieën. Dat de patiënt zijn theorieën met hen deelt, vind ik wel een goed teken – zijn vertrouwen in de autoriteiten geeft blijk van een grens aan zijn paranoia – maar daar denkt de politie anders over. ‘Als hij niet ophoudt, komen we langs.’

    Achter de computer in de gezamenlijke huiskamer zit Patrick (47) fanatiek te typen. Hij mailt de wijkagent. Het heeft weinig zin om hierover met hem in gesprek te gaan: ik weet zeker dat er geen satellieten over de kliniek vliegen die Patrick in de gaten houden, maar Patrick weet net zo zeker dat dit wel zo is.

    Ik neem hem mee naar buiten. Een wandeling over het terrein rond de kliniek duurt een half uur. Pauze voor de politie.

    Tijdens de wandeling vertelt Patrick wat hij hier zoal heeft beleefd – hij woont hier al bijna dertig jaar. Hij wijst naar een gebouwtje verderop. ‘In 2004 ben ik daar in therapie geweest’, zegt hij. ‘Hoe oud was jij toen?’

    ‘Ik was 18.’

    ‘O. Toen jij 18 was, ging ik hier dus in therapie.’

    ‘Heb je er wat van opgestoken?’

    ‘Ja, hoor. Ik heb geleerd hoe ik in gesprek kan gaan met mensen die ik niet ken.’

    Een ouder echtpaar loopt ons tegemoet en Patrick maakt van de gelegenheid gebruik om zijn in 2004 opgedane vaardigheden te demonstreren. ‘Mevrouw!’, roept hij. Hij begint te zwaaien, wat er een beetje mechanisch uitziet: hij houdt zijn arm stijf en zwiept hem ritmisch heen en weer. ‘Meneer! Goedemorgen, mevrouw! Heeft u dit mooie weer besteld?’

    Het stel kijkt huiverig de andere kant op en wijkt uit naar de overkant van de straat om met een boog om ons heen te lopen. Patrick blijft staan. ‘Gaat u graag naar het buitenland, mevrouw? Wat is uw favoriete land? Hebben jullie kinderen of is dat er niet van gekomen?’

    Zonder iets te zeggen lopen ze ons voorbij. Patrick haalt zijn schouders op en we wandelen verder.

    Ik loop intussen te prakkiseren hoe ik hem ervan kan weerhouden de politie te mailen. Ik kan hem niet verbieden de computer te gebruiken. Waarom blokkeert de politie hem niet? Misschien is dat tegen de regels. Ik zou de computer kunnen ombouwen tot een simulator die mails niet echt verstuurt, maar dat zal ook wel tegen de regels zijn.

    We wandelen langs de tennisbaan, of wat daar nog van over is – de baan is met onkruid begroeid.

    ‘Bezuinigingen’, zegt Patrick, ‘maar ik houd toch niet van tennis’. Patrick houdt van atletiek. De clubrecords die hij in de jaren tachtig op de atletiekbaan verbrak, zijn nog steeds niet verbeterd.

    We staan stil bij een kliniek waar hij jaren geleden heeft gewoond. ‘Zie je dat raam op de tweede verdieping? Daar sprong ik in 2001 doorheen. Ik was 26. Jij was 15. Ik sprong door het glas en viel hier in het veld. Ik had een week geen medicijnen gehad. Niet ingenomen.’

    ‘Was je gewond?’

    Hij laat zijn hand zien. Boven de knokkel van zijn pink loopt een rafelig litteken. ‘Mijn pink hing erbij en we hadden twee weken geen tv.’

    ‘Geen tv?’

    ‘Heel Nederland zat twee weken zonder tv, omdat ik geen medicijnen had gehad. Er was ruis op. Weet jij dat nog? Het was in de zomer van 2001.’

    ‘Wat hebben jouw medicijnen met de tv te maken?’

    ‘Geloof je me niet?’

    ‘Ik probeer het te begrijpen.’

    Langs de weg parkeert een auto en een man stapt uit.

    ‘Goedemorgen!’, roept Patrick. ‘Goedemorgen, meneer! U heeft mooi weer besteld.’

    De man lacht en steekt zijn duim op.

    ‘Goedemorgen!’, roept Patrick weer. ‘Goedemorgen! Goedemorgen!’

    ‘Ja. Goedemorgen, hoor.’

    We zijn amper terug in de kliniek of Patrick is weer achter de computer gekropen. Ik zie dat hij de website van de Tweede Kamer bezoekt. Hij zit het contactformulier in te vullen.

  • Maar dan zegt meneer ­Besselink (72): ‘Ik vind het wel lekker wat je nu doet’

    ‘Zeg maar gewoon Harry’, zegt meneer Besselink (72). Ik val een paar weken in bij de thuiszorg en ga meneer Besselink helpen onder de douche. Hij heeft een verkeersongeluk gehad en is herstellende van een reeks gecompliceerde operaties aan zijn rug, heup en been. Zijn been zit bijna helemaal in het gips. Met een looprek krukt hij door het huis.

    De afgelopen weken heeft hij zich in de keuken moeten wassen, maar nu mag hij van de fysiotherapeut eindelijk de trap weer op. Trede voor trede hijst hij zich omhoog. Boven verpak ik zijn gips in plastic.

    ‘O, heerlijk’, zegt hij, als hij onder de douche staat. ‘Ik heb zó lang niet gedoucht.’ Hij kan zijn evenwicht moeilijk bewaren. Terwijl ik hem inzeep, houdt hij zich met beide handen vast aan een beugel aan de wand.

    Dan krijgt meneer Besselink een erectie. ‘God, wat erg’, zegt hij.

    ‘Geeft niets, hoor.’

    Een paar dagen later staat meneer Besselink opnieuw op mijn thuiszorgroute.

    ‘Ik vind het zo erg dat ik een erectie kreeg’, zegt hij. ‘Jij zal wel denken: wat een oude viezerik. Ik moet er telkens aan denken en dan schaam ik me dood.’

    ‘Dat is nergens voor nodig. Het overkomt iedereen weleens.’

    ‘Echt? Iedereen?’

    ‘Wanneer je geen erectie wilt, krijg je er juist een. Ach, wees blij dat-ie het nog doet.’

    Hij schiet in de lach en daarna hebben we het er niet meer over.

    Meneer Besselink is vriendelijk. Hij klaagt nooit dat ik te vroeg of te laat ben en bedankt me elke keer uitvoerig voor de hulp. Ik denk dat hij eenzaam is. Hij doet wat veel eenzame mensen doen als ze eindelijk eens gezelschap hebben: hij praat aan één stuk door.

    Hij vertelt dat hij twee zonen heeft verloren, de een aan een hartafwijking en de ander aan kanker. Zijn vrouw raakte aan de drank. Gescheiden. Maar dan op een dag, als ik zijn penis sta te wassen, zegt hij: ‘Ik vind het wel lekker wat je nu doet.’

    Ik ben geschrokken, maar zeg er niets van. Als ik even later op mijn brommer naar het volgende adres rijd, vraag ik me verbijsterd af waarom ik dit niet zag aankomen. Ik moet denken aan iets wat meneer Besselink een paar dagen eerder onder de douche zei: ‘Ik zou het niet erg vinden als iemand iets bij mij zou doen wat niet mag.’

    ‘Wat bedoelt u?’, vroeg ik.

    ‘Ik bedoel dat ik daar niets van zou zeggen. Echt niet. Ik kan best een geheimpje bewaren.’

    ‘Wat bedoelt u met: iets wat niet mag?’

    ‘Nou, gewoon’, zei hij, en hij keek me schaapachtig aan.

    Ik begreep er niets van. Ik dacht dat hij bedoelde dat ik iets verkeerd deed en dat hij probeerde duidelijk te maken dat hij dat niet zou doorvertellen. Maar wát deed ik dan verkeerd?

    Nu kan ik me wel voor mijn kop slaan voor zo veel onnozelheid. Seksuele toespelingen zijn vaak dubbelzinnig en onbewust kies ik altijd eerst voor de niet-seksuele interpretatie, ook als die veel minder voor de hand ligt. Ik weet niet hoe dat komt. Zelfs op Grindr ben ik traag: iemand stuurde me een donker filmpje waarop hij zich aan het aftrekken was – alleen zijn penis met zijn hand eromheen waren in beeld – en ik dacht heel even dat ik keek naar een kale man die een fitnessoefening deed.

    Ik begin te twijfelen aan mijn eigen aandeel in de situatie. Misschien ben ik te ver gegaan toen ik meneer Besselink na die erectie probeerde gerust te stellen. Die ‘wees blij dat-ie het nog doet’-grap was onprofessioneel van mij. Misschien heb ik daarmee een sfeer gecreëerd die zó vertrouwd voelt, dat hij de indruk heeft dat hij alles tegen mij mag zeggen.

    De volgende dag moet ik meneer Besselink weer helpen onder de douche. Ik pak een plastic stoel uit de tuin, sjouw hem de trap op en zet hem in de douchecabine.

    ‘Wat is dit?’, vraagt hij.

    ‘U gaat zittend douchen, dan kunt u zichzelf wassen. Dat is goed voor de bevordering van uw zelfredzaamheid.’

  • Je kunt zeggen dat het niet zo erg is dat ik meneer Blokker niet leuk vind. Maar zo eenvoudig ligt het niet

    Meneer Blokker (88) krijgt bezoek van zijn vrouw en de hele afdeling staat op de uitkijk. Ramptoerisme, anders kan ik het niet noemen.

    ‘Het is haar eigen schuld, toch?’, vraagt de stagiair (18). ‘Ze heeft er zelf voor gekozen met meneer Blokker te trouwen.’

    ‘In onze tijd ging dat heel anders, kind’, zegt mevrouw Van Wijngaarden (87). ‘Zat er niets van je gading bij, dan moest je genoegen nemen met minder. Er moest nu eenmaal worden getrouwd.’

    ‘Wat een fucking nachtmerrie’, zegt de stagiair.

    ‘Daar is ze!’, roept mevrouw Peereboom (92).

    De auto van de zoon van meneer en mevrouw Blokker rijdt de parkeerplaats op. De zoon stapt uit en opent de achterklep om zijn moeders rollator uit te laden. Daarna helpt hij haar uit de auto. Vol ontzag kijken we hoe mevrouw Blokker met haar rollator naar de ingang stiefelt. Haar zoon loopt erachteraan met een grote doos van de bakker in zijn armen. Ze hebben iets te vieren: meneer en mevrouw Blokker zijn vandaag zestig jaar getrouwd. Een diamanten huwelijk.

    ‘Ach’, zegt mevrouw Van Wijngaarden zachtjes. Ze schudt meewarig het hoofd.

    Later op de dag kom ik het echtpaar tegen op de gang, gevolgd door een stoet kinderen en kleinkinderen. Ze hebben het jubileum gevierd met een brunch in een restaurant.

    ‘Wat ziet u er netjes uit, meneer Blokker’, zeg ik.

    ‘Huh!’, roept hij.

    ‘Hij zegt dat u er netjes uitziet!’, roept zijn zoon in zijn oor.

    ‘Waarom zou ik er niet netjes uitzien op mijn trouwdag?’ Ten overstaan van het hele gezelschap vertelt hij dat hij niets aan de brunch vond. ‘Ze hadden geen gewoon brood’, zegt hij, ‘en het duurde heel lang.’

    Mevrouw Blokker slaat haar ogen neer en ik klem mijn kaken op elkaar.

    Mijn collega Pieter loopt langs. Meneer Blokkers gezicht licht op. ‘Pieter! Goddank, jongen. Breng me naar mijn kamer.’

    Pieter gaat naast hem staan en steekt zijn gebogen arm uit. Meneer Blokker haakt zijn arm door die van hem en samen schuifelen ze ervandoor.

    Pieter is de enige die meneer Blokker kan verdragen. Hij heeft zelfs een band met hem opgebouwd. Hoe doet hij dat? Wat heeft Pieter dat ik niet heb?

    Je zou kunnen zeggen dat het niet zo erg is dat ik meneer Blokker niet leuk vind. Ik ben ook maar een mens. Je kunt nu eenmaal niet iedereen leuk vinden. Maar zo eenvoudig ligt het niet.

    Oude mensen kun je in twee categorieën verdelen: mensen die zichzelf kunnen vermaken en mensen die dat niet kunnen. Mevrouw Steur (88) is bijvoorbeeld iemand die zich prima vermaakt. Op haar tafel liggen een iPad, iPhone, een stapel boeken en de krant. Gisteren heeft ze Spotify ontdekt. ‘Alles staat erop’, zei ze. ‘Alle muziek van mijn leven.’

    Veel andere bewoners doen helemaal niets, die zitten voor het raam te wachten tot er iemand op bezoek komt. Meneer Blokker kan zich ook niet vermaken. Hij brengt het grootste deel van de dag wachtend door.

    Bij goede zorg hoort het faciliteren van een zinvolle dagbesteding. In de praktijk hebben we daar geen tijd voor. Basiszorg gaat natuurlijk voor: helpen bij het wassen, aankleden, eten en naar de wc gaan.

    Elke dienst is een race tegen de klok. Als ik geluk heb, houd ik een half uur over om met bewoners naar buiten te gaan, een spelletje te doen of koffie te drinken. Dat half uurtje heb ik nog nooit aan meneer Blokker besteed.

    Op de taart die mevrouw Blokker heeft meegenomen, staat een foto van het echtpaar. In de pauze snijdt mijn collega meneer en mevrouw Blokker in stukken. Ik krijg meneer Blokkers neus.

    ‘Hij is net mijn vader’, zegt Pieter. Op zijn bordje ligt een stuk met meneer Blokkers kale schedel erop. ‘Ik heb weleens tegen mijn vader gezegd dat hij niet zo moest snauwen tegen mijn moeder. Hij zei: ik ben nu eenmaal een mopperkont.’ Zuchtend prikt hij met zijn vork in de taart. ‘Eigenlijk zit ik hier gewoon weer met mijn vader opgescheept.’