Deze columns verschenen eerder in de Volkskrant. De namen in de columns zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast.

  • ‘Ik kan wel kinderen krijgen’, zei ik tegen de arts. Ze keek me aan en zei: ‘Maar daar zijn ethische bezwaren tegen’

    ‘Ik heb over jou gedroomd’, zegt mevrouw Peereboom (92). Ze zit in haar pyjama op de rand van het bed.

    ‘O?’

    ‘Wij zouden gaan trouwen, maar je moeder was het er niet mee eens. ‘Die vrouw is veel te oud voor jou’, zei ze.’

    ‘Wat jammer.’

    ‘Ja. Ik had best met jou willen trouwen. Weet je waarom?’

    ‘Nou?’

    ‘Jij kunt de kinderen verschonen. Dat doe je hier toch ook? Het is jouw werk, mensen verschonen.’

    ‘Dat hoort erbij, ja.’

    ‘Ik was blij toen de kinderen zindelijk waren. God, wat was ik blij.’

    Als ik mevrouw Peereboom even later help bij het douchen – zij zit op het douchestoeltje en ik sta haar haren te wassen – zit ze nog steeds met haar gedachten bij het grote voordeel dat ze is misgelopen door niet met mij getrouwd te zijn geweest.

    ‘Jouw vriendin is zeker wel blij met jou, hè? Omdat jij de kinderen kunt verschonen, bedoel ik. Dan hoeft zij dat niet te doen.’

    Telkens als iemand begint over mijn kinderen – die ik niet heb – moet ik denken aan de arts van de transgenderpoli in het ziekenhuis. Eens in de zoveel jaar moet ik daarnaartoe voor controle. Ik word gemeten, gewogen, mijn bloed wordt onderzocht en er is een gesprekje met een arts. In zo’n gesprekje zei de arts terloops dat ik onvruchtbaar ben. Daar was ik het niet mee eens.

    Mijn geslachtsoperatie vond plaats in een ander ziekenhuis, in België. Een paar maanden vóór de operatie lag er een dikke envelop van dat ziekenhuis in de brievenbus. Ze wilden weten wat er na de operatie met mijn eierstokken moest gebeuren. Die werden tijdens de operatie namelijk verwijderd. De opties: vernietigen, invriezen of doneren aan de wetenschap. Als ik ze liet invriezen, zouden ze er later een eicel mee kunnen kweken, dat was een nieuwe techniek. Die eicel kon ik inzetten voor een eventuele voortplanting.

    Ik kruiste aan: één invriezen en één doneren aan de wetenschap.

    Sindsdien heb ik een speciale band met de Belgen en hun ziekenhuis. Als ik in de buurt ben, rijd ik er altijd even langs. Het ziet eruit als elk ander ziekenhuis – een betonnen complex met een enorme parkeerplaats eromheen – maar het voelt als een kerk.

    De kans dat het werkelijk tot voortplanting komt is nihil. Het zou namelijk erg ingewikkeld worden. Mijn vriend en ik zouden een draagmoeder nodig hebben en op een dag zouden we aan ons kind moeten uitleggen dat we zijn echte ouders zijn.

    ‘Maar ik kan dus wel kinderen krijgen’, zei ik tegen de arts.

    Ze keek me aan, glimlachte vriendelijk en zei: ‘Daar zijn ethische bezwaren tegen.’

    Aan het begin van mijn transitie was ik weleens bang dat ik me uiteindelijk geknutseld zou voelen, alsof ik door chirurgen in elkaar was gezet. Gelukkig gebeurde dat niet. Ik veranderde geleidelijk in een heel gewone jongen, als een tweede puberteit. Het voelde alsof het zo hoorde. Maar toen de arts zei dat het onethisch is als ik kinderen krijg, kwam dat Frankensteingevoel toch nog opzetten. Ik voelde me een freak.

    Misschien heeft die arts gelijk. Misschien is er in dat ziekenhuis een krankzinnige laborant aan het werk die mijn weefsel gebruikt om honderden eicellen te kweken en te verwisselen met die van patiënten in ivf-trajecten. Misschien heb ik inmiddels tientallen kinderen. Het grootste fertiliteitsschandaal sinds Karbaat.

    Inmiddels zit mevrouw Peereboom aangekleed en gekamd in de stoel. Ze houdt haar bril tegen het licht en tuurt in de glazen. Uit de zak van haar vest pakt ze een doekje om te poetsen. Ze vertelt dat ze radiologie had willen studeren, maar toen ze trouwde ging dat niet meer door. Er moesten nou eenmaal kinderen worden verschoond.

    ‘Maar als wij waren getrouwd, kon jij thuisblijven, hè? Bij de kinderen.’ Ze kijkt me streng aan. ‘Ik wil geen smoesjes horen. Als je voor oude mensen kunt zorgen, kun je ook wel voor kinderen zorgen.’

  • Als ze competitie ruikt, spert ze haar ogen open en gaat ervoor

    Ik sta aan het bed van mevrouw Trip (94). Ze is halfnaakt – ik heb haar net uit haar nachthemd geholpen – als de deur van de kamer openzwaait en mijn collega binnenstapt. Ze drukt op de lichtknop waarmee een felle spot boven het bed aangaat. Mevrouw Trip knijpt haar ogen dicht.

    ‘Heb jij hier verstand van?’, vraagt mijn collega, en ze houdt me haar iPad voor. Met haar wijsvinger swipet ze heen en weer en drukt op een paar toetsen, maar het scherm reageert niet. ‘Hij zit vast ofzo.’

    De deur heeft ze open laten staan. Op de gang schuifelt meneer Veenstra (84) langs met zijn rollator en werpt een nieuwsgierige blik naar binnen.

    ‘Doe de deur dicht’, zeg ik. ‘Je moet hier niet zomaar naar binnen banjeren. We zijn bezig.’

    Mijn collega kijkt naar mevrouw Trip. ‘O, dat vindt ze niet erg, hoor.’

    Dat is waar. Mevrouw Trip weet wel dat ze half naakt is en begrijpt ook dat ik haar ga wassen, maar meer context kan ze de situatie niet geven. Dat komt door haar alzheimer.

    ‘Daar gaat het niet om’, zeg ik.

    Mijn collega kijkt me vragend aan. Nu is het de bedoeling dat ik vertel waar het wél om gaat. Ik weet niet hoe ik dat moet uitleggen. Ik zou iets kunnen zeggen over privacy en waardigheid, maar dat dekt de lading niet. Wat ik wil zeggen, schiet me ’s nachts pas te binnen, als ik in bed lig te prakkiseren. Of morgenochtend onder de douche.

    Ik kijk mevrouw Trip hulpeloos aan. Mevrouw Trip gaapt.

    Tijdens het wassen en aankleden houdt ze haar blik gericht op twee foto’s boven haar bed. Op de ene foto staan haar vier kinderen en de andere is een portret van haar man. Hij had een hoekig, mannelijk gezicht. Als je vroeger tegen haar zei dat ze een knappe man had, antwoordde ze altijd: ‘Hij was vooral heel slim.’ Nu zegt ze dat al heel lang niet meer; ze zegt steeds minder.

    Wat mevrouw Trip nog wel of niet meer kan, is een ambivalent en complex verhaal. Ze kan niet goed meer bewegen: ze kan zich niet omdraaien in bed, niet staan en heeft een speciale rolstoel omdat ze anders niet recht kan blijven zitten. Maar ze heeft bliksemsnelle reflexen – als je haar een bal toewerpt, vangt ze die – en een sterk gevoel voor richting. Ze is onze beste sporter. Vanmiddag is het sjoeltoernooi en je zou het misschien niet zeggen nu ik haar met een takelwagentje in de rolstoel laat zakken, maar mevrouw Trip geldt als grote kanshebber op een podiumplek.

    Bovendien beschikt ze over een winnaarsmentaliteit. Als ze competitie ruikt, spert ze haar ogen open en gaat ervoor. Ze heeft in het onderwijs gewerkt: vroeger liep ze iedereen hier de hele dag te verbeteren.

    In de huiskamer zitten de andere dames al aan het ontbijt. Ze zijn in gesprek over het krijgen van kinderen en wat daarvoor de beste leeftijd is. Niet te jong en zeker niet te oud. Zuster Gertrudis (95) heeft geen ervaring met het krijgen van kinderen, ze bracht haar hele leven in het klooster door, maar voert niettemin het hoogste woord. ‘De vaders zijn tegenwoordig ook veel te oud’, zegt ze. ‘Die beginnen telkens een nieuw gezin bij een ander, die krijgen op hun 50ste nog een kind.’

    ‘Werkelijk?’, vraagt mevrouw Peperkamp (83). Ze schiet in de lach. ‘Vaders van 50? Hoe is het mogelijk. Wie wil er met zo’n oude man naar bed?’

    ‘Mijn hemel’, zegt mevrouw Van der Kaaij (85), en ze slaat schaterend haar hand voor de mond. ‘Ik niet!’

    Ik parkeer mevrouw Trip aan tafel. ‘Hoe oud was u toen u uw eerste kind kreeg?’, vraag ik.

    De dames kijken verstoord naar ons. ‘Stel die vrouw niet zulke moeilijke vragen’, zegt mevrouw Peperkamp.

    Mevrouw Trip richt zich op in de rolstoel. ‘Ik was 28’, zegt ze met haar dunne, hese stemmetje.

    Ik kijk de dames triomfantelijk aan.

    Aan het eind van de middag kom ik mevrouw Trip tegen op de gang, mijn collega brengt haar naar haar kamer. Het sjoeltoernooi is voorbij. Op het blad van haar rolstoel staat de wisselbeker. Als ze het toernooi nog één keer wint, mag ze hem houden.

  • Misschien ­is mijn verstoorde ambitie­ontwikkeling in dit geval een zegen

    Op mijn 18de verjaardag kreeg ik van mijn ouders rijlessen cadeau. Ik heb een transgenderachtergrond en dit was vóór mijn transitie: de rijinstructeur was een oude man en ik zag eruit als een jong meisje. Hij vond dat ik niet goed reed. Na de lessen zei hij dat ik nog lang niet toe was aan het examen, maar ik wilde het toch proberen. Ik slaagde in één keer.

    ‘Je hebt geluk gehad’, zei de instructeur.

    Dat ik wilde afrijden was niet omdat ik zo graag een rijbewijs wilde, maar omdat ik geen zin meer had in rijles. In die tijd had ik nergens echt zin in. Dat was een ellendig neveneffect van mijn transseksualiteit: op geen enkel gebied ontwikkelde ik ambitie.

    Ik kon bijvoorbeeld niet bedenken of ik later kinderen wilde. Ik kon geen moeder worden, want ik voelde dat ik geen vrouw was, maar vader kon ik ook niet zijn, want ik zag er niet uit als een man.

    Omdat ik me geen voorstelling van mezelf kon maken, zag ik ook niet voor me dat ik op een dag ­iemand zou zijn met een beroep, dus op school deed ik mijn best niet. En ik betwijfelde of ik dat rijbewijs ooit nodig zou hebben. Waar zou ik naartoe moeten rijden?

    Na mijn transitie was het op sommige gebieden te laat, daar had ik definitief de boot naar volwassenheid gemist, maar met andere dingen kwam het toch nog goed. Ik nam afscheid van mijn nutteloze administratieve baan – alles wat ik daar maakte verdween in de digitale bodemloze put – omdat ik dacht: moet ik dít de rest van mijn leven doen?

    Na een periode van oriëntatie koos ik voor de zorg. Mensen aan wie ik vertelde dat ik in het verpleeghuis ging werken, vroegen: ‘Wat zijn je doorgroeimogelijkheden?’

    Dit vertelde ik aan een vriend die ik tijdens mijn transitie had leren kennen. Hij werkt als verpleegkundige in een ziekenhuis. ‘Veel ­patiënten vragen of ik doorleer voor arts’, zei hij. ‘Toen ik eruitzag als een meisje vroegen ze dat nooit.’

    De patiënten hebben misschien vooroordelen over de deskundigheid van vrouwen of vinden een baan als verpleegkundige niet goed genoeg voor een man. Als het dat laatste is, heeft het in elk geval effect.

    De vriend vertelde dat hij hier eerst nooit over nadacht – hij was tenslotte verpleegkunde gaan studeren omdat hij verpleegkundige wilde worden – ‘maar nu vraag ik me af of ik genoegen moet nemen met deze baan’.

    Amper twee maanden nadat ik was aan­genomen in het verpleeghuis, nodigde de­ manager me uit op kantoor. Of ik interesse had in een coördinerende functie.

    ‘Heel goed’, zei een vriendin opgewekt. ‘Eerst word je coördinator van het team, daarna manager van de afdeling, vervolgens directeur van de locatie en daarna kom je in de directie van de organisatie.’

    Als ik word aangespoord om hogerop te klimmen, en dat is best vaak sinds ik eruitzie als een man, moet ik weleens aan vaders en moeders denken. De taakverdeling tussen vaders en moeders is ongelijk en dat komt door sociale normen. In de discussie hierover is vooral aandacht voor de normen waaraan vrouwen moeten voldoen, zoals: 80 procent van de Nederlanders vindt dat moeders van niet-schoolgaande kinderen drie dagen of ­korter zouden moeten werken.

    Er zou evenveel aandacht moeten zijn voor de normen waaraan mannen moeten voldoen. Ik bedoel niet dat mannen door sociale normen evenveel worden benadeeld als vrouwen; het is immers gunstiger te worden vooruitgeduwd dan te worden tegengewerkt. Ik bedoel dat het idee dat mannen prioriteit horen te geven aan hun carrière evenveel bijdraagt aan de ongelijke taakverdeling als het idee dat vrouwen prioriteit moeten geven aan hun gezin.

    De manager wilde ook weten wanneer ik van plan was voltijds te gaan werken. Nooit. Over voltijds werkende mensen denk ik: heb je niets anders te doen? Heb je geen vrienden? Bovendien beschouw ik voltijds werken als zwendel: je gaat mij niet wijsmaken dat iemand zich voltijds op zijn werk kan concentreren.

    Misschien komt het door mijn verstoorde ambitieontwikkeling dat ik zo over werken denk. Misschien is die verstoorde ambitie­ontwikkeling in dit geval een zegen.

  • Ook ik zou de hele dag bang zijn dat ze me vergeten

    Mijn portofoon begint te piepen; iemand heeft op de alarmbel gedrukt. Eigenlijk wil ik er meteen naartoe, maar ik breng mevrouw Petterson (96) net naar bed. Ik weet niet zeker of ik haar nu alleen kan laten. Als het te lang duurt voordat ik terugkom, krijgt ze een paniekaanval. Dat is best logisch als je bedenkt dat ze zichzelf niet kan voortbewegen: ze kan niet staan en heeft te weinig kracht om haar rolstoel in beweging te krijgen. Ik zou ook de hele dag bang zijn dat ze me vergeten.

    Ik probeer het toch. Al een jaar lang verzorg ik mevrouw Petterson en ik ben altijd op tijd. Urenlang heb ik haar in de rolstoel door de tuin geduwd. Misschien heb ik daar nu profijt van.

    ‘Iemand heeft op de alarmbel gedrukt. Vindt u het goed als ik ga kijken? Als ik klaar ben, kom ik meteen terug.’

    ‘Ja’, zegt ze. ‘Goed.’

    Ik haast me naar mevrouw Scholte (84). Mevrouw Scholte is stervende aan darmkanker en heeft op de alarmbel gedrukt omdat ze naar de wc moet. Onderweg begint mijn portofoon opnieuw te piepen. Het is meneer Blokker (88).

    ‘Ik moet een zakdoek hebben’, zegt hij.

    ‘Over een kwartier ben ik bij u’, antwoord ik. Ik weet ook wel dat hij daar niets aan heeft – hij zit nú met een snotneus – maar ik heb urgentere dingen te doen.

    ‘Huh!’, roept hij. Dat betekent: wat zeg je?

    ‘Over een kwartier!’, roep ik door de portofoon.

    Ik zet mevrouw Scholte op de ondersteek. In de badkamer wacht ik tot ze klaar is. Als ik haar even later weer toedek, pakt ze mijn pols vast. ‘Het spijt me dat je steeds bij me moet komen, maar ik wil het niet in mijn broek doen. Ik vind het zo akelig om in de viezigheid te liggen.’

    ‘Dat geeft echt niets. Ik heb er ook een gruwelijke hekel aan als u in de viezigheid moet liggen, dus ik wil graag dat u op de bel drukt als u hulp nodig heeft. Oké?’

    ‘Oké.’

    Terug naar mevrouw Petterson, die gelukkig nog rustig op mij zit te wachten. Kunstgebit poetsen, pyjama aan, kruik in bed, lampen uit en door naar meneer Blokker. Ik red het nét binnen een kwartier.

    Te laat. Meneer Blokker zit op de grond. In een poging een zakdoek te pakken, is hij gevallen en met zijn hoofd tegen de tv geknald. Er is een zwart blok in beeld op de plek waar hij het scherm heeft geraakt en over zijn kale schedel loopt een streepje bloed.

    Ik kan mezelf wel voor de kop slaan. Ik had kunnen weten dat hij niet op mij zou wachten, daar heeft hij het geduld niet voor. Dit is zijn zesde valpartij deze week. Zijn snotneus verdiende een hogere prioriteit.

    Ik ben zo scherp niet meer; ik ben moe. Mijn collega’s zijn ook moe. Net als bijna alle andere zorginstellingen hebben we een personeelstekort. Volgend jaar opent een nieuwe vleugel en daar hebben we ruim twintig nieuwe collega’s voor nodig: verzorgenden en verpleegkundigen. Waar halen we die in godsnaam vandaan? We kunnen ze nu ook niet vinden.

    Ik hijs meneer Blokker omhoog en zet hem in de stoel. Eigenlijk mag dat niet: om mijn rug te sparen hoor ik hem met een liftje van de grond te takelen, maar daar heb ik nu écht geen tijd voor. Ik meet zijn bloeddruk en bel de arts. Dat moet altijd als iemand op zijn hoofd is gevallen.

    Een halfuur later kan ik verder. Ik ben de gang nog niet uit of meneer Blokker drukt weer op de alarmbel.

    ‘De televisie’, zegt hij. ‘Het beeld is niet goed.’

    ‘Ja, daar bent u zonet met uw hoofd tegenaan gevallen.’

    ‘Huh!’, roept hij.

    De volgende dag staat er tot mijn stomme verbazing een monteur van Ziggo bij meneer Blokker in de kamer. De monteur staat gebukt naar de tv te kijken. ‘Dit heeft niets met uw verbinding te maken’, zegt hij. ‘Het beeldscherm is beschadigd, denk ik.’

    Hij draait zich om en kijkt vragend naar meneer Blokker, die in de leunstoel zit met een dikke pleister op zijn hoofd.

  • Een leugentje om bestwil in de thuiszorg: ‘Dit heeft mijn vrouw voor u gebakken’

    ‘Ik heb iets nodig wat eruitziet alsof ik het zelf zou kunnen hebben gebakken’, zeg ik tegen de bakker.

    ‘Moet je indruk maken op je schoonmoeder?’, vraagt hij.

    ‘Zoiets, ja.’

    De bakker vouwt zijn handen op zijn bolle buik en kijkt me onderzoekend aan; hij probeert in te schatten tot welk niveau van banket ik in staat ben. Daarna glijdt zijn blik langs de petitfours, vruchtenschelpen, slagroomtaarten, frambozenbollen en bananensoezen in de vitrine.

    ‘Neem deze maar’, zegt hij, en hij pakt een zak speculaasbrokken uit een mand die op de toonbank staat.

    ‘Mag het íéts geavanceerder?’

    ‘Appelkanjers. Dat zijn koeken van bladerdeeg, gevuld met appel en abrikoos. Ook niet moeilijk.’

    Ik zet een tupperwarebakje op de toonbank. Als ik aankom met een doos van de bakker heeft het immers geen zin.

    Vandaag val ik in voor mijn collega in de thuiszorg. Met de appelkanjers in mijn rugzak fiets ik naar de wijk waar ik moet werken, daar staan flats waar vooral mensen uit Turkije en Marokko wonen. De adressen op mijn lijstje ken ik al – deze thuiszorgroute heb ik al vaak afgelegd.

    Eerst moet ik naar meneer Çelik (68). Meneer Çelik heeft parkinson. Bovenaan de trap staat mevrouw Çelik (67) me al op te wachten met een volle vuilniszak en het pasje van de ondergrondse container. Ik sjouw de vuilniszak naar de straat, gooi hem in de container en ga de flat weer in. Voor de deur van meneer en mevrouw Çelik doe ik plastic hoesjes om mijn schoenen, anders mag ik niet naar binnen.

    Meneer Çelik ligt nog in bed.

    ‘Komt u uit bed? Wilt u douchen?’

    Hij kijkt nors en schudt zijn hoofd. ‘Niet douchen.’

    Mevrouw Çelik staat in de keuken, maar heeft ons wel gehoord. Ze beent de kamer binnen, gaat met haar handen in de zij naast het bed staan en praat op kwade toon tegen haar man. Ik versta er niets van, maar weet wel hoe laat het is.

    ‘Toch douchen?’, vraag ik aan meneer Çelik. Hij kijkt me mistroostig aan en knikt. Ik help hem overeind.

    Meneer en mevrouw Çelik wonen hier al veertig jaar, maar doen veel dingen nog steeds zoals ze die op het Turkse platteland deden. Een douchebeurt houdt in dat ik meneer Çelik inzeep en een emmer water over zijn hoofd kieper.

    Toen ik voor het eerst bij meneer en mevrouw Çelik kwam, vroeg hij: ‘Jij getrouwd?’

    ‘Ja.’

    ‘Kind?’

    ‘Ja.’

    ‘Jouw vrouw bij kind?’

    ‘Ja.’

    ‘Goed.’

    Mijn collega zei: ‘Je moet gewoon zeggen dat je homo bent. Zij zijn afhankelijk van jou, niet andersom.’

    In het verpleeghuis vertelde een collega dat ze had moeten praten als Brugman om mevrouw Van der Kaaij (86) te mogen helpen met wassen en aankleden. Mevrouw Van der Kaaij wil niet worden geholpen door zwarte medewerkers.

    ‘De volgende keer moet je gewoon weggaan’, zei een andere collega tegen haar. ‘Ze moeten je met respect behandelen en het is hun probleem als jij niet helpt. Zo simpel is het.’

    Even later liep ik met mijn zwarte collega over de gang. ‘Alsof het echt zo simpel is’, zei ze, en ze begon te huilen. Dat begreep ik wel. Het is de achteloosheid waarmee mensen zeggen wat je gewoon zou moeten doen.

    Soms draagt mevrouw Çelik geen hoofddoek als ik er ben, maar alleen als haar man het niet ziet. Ze let er ook op dat hij niet ziet dat ze me eten toestopt – fruit, nootjes, een opgerolde pannenkoek in aluminiumfolie – anders wordt hij jaloers. Eerst dacht ik dat hij jaloers was op mij als ze dat deed, maar later ontdekte ik dat hij jaloers is op haar: hij wil dat zij het eten aan hem geeft, zodat hij het aan mij kan geven.

    Het wordt in elk geval hoog tijd eens iets terug te geven. Ik zet het tupperwarebakje op tafel en haal het deksel eraf. Meneer en mevrouw Çelik kijken me stralend aan.

    ‘Dit heeft mijn vrouw voor u gebakken’, zeg ik.

  • Ik kan haar niet laten verhongeren vanwege een kudde imaginaire olifanten

    Met mijn collega’s ga ik naar een bijeenkomst met de psycholoog over mevrouw Boedhoe (89). Mevrouw Boedhoe heeft een psychose. In de uitnodiging staat dat de psycholoog ons zal voorzien van concrete tips en handvatten hoe we daarmee moeten omgaan.

    ‘Soms is het beter om mee te gaan in haar wanen en soms niet’, zegt de psycholoog. ‘Dat moet je aanvoelen.’

    Tot zover de handvatten.

    Mevrouw Boedhoe is een kleine vrouw met een aandoening waardoor haar hoofd scheef staat – haar linkeroor ligt op haar linkerschouder. Ze woont hier nog niet zo lang. Toen ik haar voor het eerst hielp met wassen, zei ze: ‘Een jongen en een meisje in de badkamer. Vies.’

    ‘Ik werk hier, hè? Ik werk hier en u woont hier. U bent 89 jaar, ik help u met wassen.’

    ‘O, ja.’

    We waren snel klaar. Andere hoogbejaarde bewoners moet ik in honderd kledingstukken helpen: panty’s, step-ins, bh’s, sokken, rokken, corseletten, blouses, vesten, truien, hesjes, orthopedische schoenen en weet ik wat allemaal nog meer. Mevrouw Boedhoe niet. Een joggingbroek, T-shirt, sneakers en een gele gebreide trui met Donald Duck erop.

    Bij de koffietafel maakte ze kennis met de andere bewoners, die om haar heen dromden.

    ‘Wat een mooie trui’, zei er een. ‘Enig.’

    Hoewel mevrouw Boedhoe uit Suriname komt en nog geen woord had gezegd, zei een ander: ‘Wat spreekt u goed Nederlands.’

    Mevrouw Boedhoe keek met haar scheve koppetje naar hen omhoog, haar ogen tot spleetjes geknepen en haar mond een streep.

    De volgende ochtend wilde ze niet naar de koffietafel. ‘Ze vinden me raar. Rare kleren.’

    Na de bijeenkomst met de psycholoog ga ik naar haar toe om een maaltijd te brengen. Ze heeft de deur van haar kamer op slot gedraaid en gebarricadeerd. Dat wil zeggen: met de grootst mogelijke inspanning een pedaalemmertje voor de deur geschoven.

    ‘Wat heb ik aan een slot op mijn deur als iedereen de sleutel heeft?’, vraagt ze kwaad. Ze heeft alleen haar steunkousen aan en een incontinentiebroekje. Ze was net van plan onder de douche te stappen.

    ‘U heeft vandaag al gedoucht. Al drie keer.’

    ‘Jij snapt het niet.’

    ‘Leg het dan eens uit, alstublieft.’

    Ze vertelt dat ze heel vaak moet douchen, anders ruiken de olifanten haar en dan sleuren die haar mee naar hun hol.

    ‘Olifanten wonen niet in een hol.’

    ‘Je gelooft me niet.’

    Ik hurk bij haar neer. ‘Mevrouw Boedhoe, olifanten hebben we hier niet. Olifanten wonen in Afrika en Azië en in de dierentuin.’ Ik houd mijn hoofd scheef, zodat ze me recht kan aankijken en kan zien dat ik het meen. ‘Begrijpt u dat het voor mij moeilijk is te geloven dat er in dit bejaardenhuis olifanten komen?’

    Ja, dat begrijpt ze wel. Ze begint te huilen. ‘O, jochie. Als jij eens wist wat ik weet.’

    Als ik haar heb geholpen met aankleden, beginnen we aan het eten. Ze wil eigenlijk niet eten, daar heeft ze ook een theorie over, maar ik lepel het gewoon bij haar naar binnen. Als ze na haar psychose nog steeds niet wil eten, moet ze dat zelf weten, maar ik kan haar niet laten verhongeren vanwege een kudde imaginaire olifanten.

    Mevrouw Boedhoe heeft altijd samen met haar broer gewoond, totdat hij overleed. De enige bezoeker die hier weleens bij haar op visite komt, is Bep. Bep de boekhoudster. Bep doet haar administratie via een maatjesproject van de gemeente.

    Bep komt lijkbleek bij mevrouw Boedhoe vandaan. ‘Hebben jullie niet een speciale kamer voor haar?’

    ‘Wat voor kamer?’

    ‘Een kamer met niets erin, zodat ze geen gekke dingen kan doen.’

    Het is verbazend hoe rap mensen op het idee komen om mevrouw Boedhoe te isoleren.

    ‘Weet je wat je moet doen?’, zegt mijn collega die in de psychiatrie heeft gewerkt. We staan in mevrouw Boedhoes kamer. ‘Je moet deze hele kamer strippen, dan krijgt ze geen prikkels meer.’

    Ik kijk de kamer rond en krijg heel andere ideeën. Alles wat recht is, ziet mevrouw Boedhoe scheef.

    ‘Zal ik uw televisie een kwartslag draaien?’ vraag ik.

    Mevrouw Boedhoe schudt haar scheve hoofdje. ‘De televisie is recht. Een normale televisie, voor normale mensen.’